ECLI:NL:PHR:2020:952
Parket bij de Hoge Raad · 29-09-2020 · zaaknummer 20/00601
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vraag of afwaardering van een tbs-vordering terecht is geweigerd. Belanghebbende heeft een vordering ter beschikking gesteld aan een vennootschap waarvan zij de helft van de aandelen houdt. In 2011 wenst zij de vordering af te waarderen met 25% van de nominale waarde op basis van een berekening van de ‘economische waarde’ van de onderneming van de vennootschap. De Inspecteur heeft de afwaardering geweigerd. In geschil is of de afwaardering terecht is geweigerd. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft belanghebbende de door hem gestelde lagere waarde van de vordering niet aannemelijk gemaakt. Hierbij wijst de Rechtbank erop dat de berekening niet inzichtelijk maakt hoe deze waarde is bepaald en dat bij deze berekening is uitgegaan van de bedrijfsresultaten van daaropvolgende jaren. Overigens biedt, aldus de Rechtbank, de vermogenspositie van de vennootschap op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten voor de afwaardering. Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de Rechtbank en de gronden waarop dit oordeel berust. Daaraan voegt het Hof toe dat de berekening aansluit bij feiten die bekend zouden zijn bij het einde van het eerste exploitatiejaar van de vennootschap op 31 maart 2012, welk tijdstip niet gelijk is aan het tijdstip waarop de afwaardering moet worden beoordeeld, namelijk 31 december 2011. Ook wijst het Hof erop dat de berekening is gebaseerd op stukken die dateren van ver na het tijdstip waarop de afwaardering betrekking heeft en zonder nadere onderbouwing onvoldoende zeggen over de gang van zaken voorafgaand aan dat tijdstip. In cassatie richt belanghebbende diverse motiveringsklachten tegen de oordelen van het Hof. Deze klachten komen erop neer dat het Hof deze oordelen ten onrechte heeft gegrond op onjuiste gevolgtrekkingen van de Inspecteur over de berekening. Volgens A-G Niessen is de (lagere) bedrijfswaarde als waarderingsgrondslag van belang voor de door belanghebbende gewenste afwaardering. Voor schuldvorderingen komt de bedrijfswaarde doorgaans overeen met de waarde in het economische verkeer, dus de som van de toekomstige kasstromen aan rente- en aflossingstermijnen die worden verwacht per balansdatum en zijn verdisconteerd naar de desbetreffende balansdatum tegen de risicovrije rente vermeerderd met een opslag voor het toepasselijke risico. Het is een kwestie van feitelijke aard om de bedrijfswaarde van een schuldvordering vast te stellen. De A-G merkt op dat niettemin het vaststellen van de bedrijfswaarde in tweeërlei opzicht een rechtskundige kwestie raakt. Ten eerste, feiten die niet van belang zijn voor het verdisconteren van de verwachte rente- en aflossingstermijnen naar de desbetreffende balansdatum, kunnen een afwaardering niet staven en het rechterlijk oordeel hierover in cassatie niet aantasten. Ten tweede, feiten die optreden na de desbetreffende balansdatum kunnen noch een afwaardering noch cassatie van het rechterlijk oordeel hierover steunen. Uit de berekening leidt de A-G af dat ter bepaling van de ‘economische waarde’ van de onderneming van de vennootschap rekening is gehouden met een verwachte perpetueel gelijkblijvende kasstroom die bij benadering is ontleend aan het hoogste bedrijfsresultaat in de boekjaren 2011-2012 tot en met 2015-2016. Volgens de A-G is de berekening aldus gegrond op feiten die niet bestaan op 31 december 2011 en (dus) niet de afwaardering kunnen onderbouwen. Immers, pas na die balansdatum ontstaat het bedrijfsresultaat over 2012-2013, ontstaan de bedrijfsresultaten over de boekjaren tot en met 2015-2016 en blijkt in welk boekjaar het hoogste bedrijfsresultaat is behaald. Met haar klacht dat het Hof onjuiste gevolgtrekkingen heeft verbonden aan de berekening, gaat belanghebbende ervan uit dat goed koopmansgebruik toestaat de waardering van de vordering (mede) te gronden op feiten die eerst zijn opgetreden na de balansdatum. De A-G acht dat uitgangspunt onjuist. De klacht faalt derhalve. De conclusie strekt tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie van belanghebbende.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
