Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2020:808

Parket bij de Hoge Raad · 16-09-2020 · zaaknummer 20/01752

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 16-09-2020
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G Niessen heeft conclusie genomen over de vraag of de inkomsten van verhuur van een deel van de eigen woning zijn belast in box I, en zo ja, of deze voorts zijn vrijgesteld door toepassing van de kamerverhuurvrijstelling. Moet bij de toepassing van de kamerverhuurvrijstelling altijd aan de inschrijvingseis worden voldaan? Belanghebbende heeft in het jaar 2016 een gedeelte van haar eigen woning in verschillende periodes van het jaar verhuurd via Airbnb, driemaal voor één maand en één maal voor twee maanden. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 heeft de Inspecteur 70 percent van de huurinkomsten belast als voordelen uit het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning als bedoeld in art. 3.113 van de Wet IB 2001. Het Hof komt tot het oordeel dat de verhuurinkomsten van belanghebbende zijn vrijgesteld door toepassing van de kamerverhuurvrijstelling van art. 3114 Wet IB 2001. De Staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het eerste middel van de Staatssecretaris richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de kamerverhuurvrijstelling van toepassing is. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende aan alle materiële vereisten voor toepassing van de kamerverhuurvrijstelling voldoet en alleen niet aan het formele vereiste van inschrijving. Het Hof ziet echter ruimte om de inschrijvingseis opzij te zetten. Dit oordeel is volgens de A-G onjuist. De duidelijke wettekst laat al weinig ruimte om de eis te passeren. Bovendien kan uit de wetshistorie worden afgeleid dat de inschrijvingseis (mede) een materiële functie heeft. Daarnaast is het de vraag of aan alle materiële vereisten is voldaan, met name of sprake is van terbeschikkingstelling anders dan voor korte duur. Uit de parlementaire behandeling leidt de A-G af dat het wettelijk criterium van verhuur ‘voor korte duur’ in elk geval ziet op de verhuur voor periodes van een of twee maanden. Het middel slaagt dus. Het tweede middel van de Staatssecretaris betoogt dat het Hof had dienen te oordelen dat de verhuurinkomsten belast kunnen worden op grond van art. 3.113 Wet IB 2001, nu die bepaling niet alleen ziet op verhuur van de gehele woning. Deze rechtsvraag is eveneens aan de orde in de lopende procedure bekend bij de Hoge Raad onder nr. 19/03974 (Conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2020:438). Daarin betoogt de A-G dat het in overeenstemming is met de ratio van artikelen 3.111, zevende lid, en 3.113 Wet IB 2001 om de kortstondige verhuur van delen van de woning aan te merken als tijdelijke verhuur, en dat de tekst van de wet niet tot een andere lezing noopt. Ook dit middel slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.