ECLI:NL:PHR:2020:657
Parket bij de Hoge Raad · 30-06-2020 · zaaknummer 19/05408
Inhoudsindicatie
In geschil is of de regeling van de verlengde navorderingstermijn bij schenkingen (in casu op een Zwitserse bankrekening) waarvan geen aangifte is gedaan, een verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer is. Tevens is in geschil of het Hof mocht afzien van het stellen van prejudiciële vragen zonder dat te motiveren. Het gaat om het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9676. Op 7 juli 1998 is ten name van belanghebbende bij een in Zwitserland gevestigde bank een bankrekening geopend. Op deze rekening is in 1998 geld gestort dat is geschonken door de vader van belanghebbende. Van de schenking is geen aangifte gedaan. Op 5 november 2005 is de vader van belanghebbende overleden. De Inspecteur heeft op 15 september 2015 - dat is 17 jaar na de schenking en 10 jaar na het overlijden van de vader - aan belanghebbende een navorderingsaanslag in het recht van schenking (vanaf 2010 genaamd: schenkbelasting) opgelegd naar een bedrag van (omgerekend) € 92.328. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR vervalt de bevoegdheid tot navorderen van te weinig geheven schenkbelasting over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Ingevolge artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de SW geldt dat de in artikel 16, vierde lid, van de AWR vermelde termijn van twaalf jaren voor het opleggen van een navorderingsaanslag schenkbelasting, ingeval geen aangifte is gedaan, ingaat na de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker in de registers van de burgerlijke stand. Dat opent de mogelijkheid dat, zoals in casu, een navorderingsaanslag in de schenkbelasting nog kan worden opgelegd 17 jaar na de schenking. In cassatie is in geschil of oplegging van de onderhavige navorderingsaanslag een verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer is. Het Hof heeft geoordeeld dat de schenking op de Zwitserse bankrekening onder het begrip ‘het verrichten van financiële diensten’ valt, zodat de standstillbepaling van toepassing is. De vraag of sprake is van schending van artikel 63 VWEU behoeft volgens het Hof daarom geen behandeling meer. Daartegen is het eerste middel van belanghebbende gericht. De A-G meent dat de schenking niet is aan te merken als een financiële dienst, zodat de standstillbepaling in casu niet van toepassing is. Daarom kan de beperking die voortvloeit uit artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de SW in combinatie met artikel 16, vierde lid, van de AWR, zijns inziens, zoals het Hof van Justitie dat noemt, niet ‘ontsnappen’ aan een toetsing op eventuele schending van het recht op vrij kapitaalverkeer, als bedoeld in artikel 63, eerste lid, VWEU. In dat kader is na te gaan of er een rechtvaardiging aanwijsbaar is voor de beperking. Het Hof van Justitie heeft in de gevoegde zaken X en Passenheim-Van Schoot geoordeeld dat artikel 16, vierde lid, van de AWR in beginsel een verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt. Die beperking (de verlengde navorderingstermijn) kan echter gerechtvaardigd worden geacht wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen. Uit de door het Hof vastgestelde feiten maakt de A-G op dat belanghebbende in 2015 is ingekeerd en dat pas in dat kader de schenking aan het licht gekomen is. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag met voldoende voortvarendheid opgelegd. Aldus heeft volgens de A-G te gelden dat de beperking die voortvloeit uit artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de SW in combinatie met artikel 16, vierde lid, van de AWR in casu gerechtvaardigd te achten is. Het eerste middel kan daarom niet tot cassatie leiden. Voorts heeft het Hof geoordeeld in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden te zien om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen over de verenigbaarheid van artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de SW met artikel 63 VWEU. In het tweede middel wordt geklaagd over het niet stellen van prejudiciële vragen door het Hof en het niet motiveren van die beslissing. De A-G leidt uit de ter zake door het Hof van Justitie gewezen jurisprudentie af dat nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen nog wel vatbaar zijn voor hoger beroep, zoals in casu het Hof, zich vrij kunnen achten al dan niet prejudiciële vragen te stellen – en dat daarmee eventueel overlaten aan de hoogste nationale rechter – zonder verplichting om enig zelf niet vragen te motiveren. Aldus faalt het tweede middel. Overigens ziet de A-G hier voor de Hoge Raad geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen met betrekking tot de hier juist te achten toepassing van artikel 63, eerste lid, VWEU en artikel 64, eerste lid, VWEU. Dat het Hof van Justitie niet eerder heeft geoordeeld over de vraag of een schenking voldoet aan de materiële voorwaarden van artikel 64, eerste lid, VWEU maakt dit volgens de A-G niet anders, omdat hier sprake is van een acte éclairé. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
