Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2020:582

Parket bij de Hoge Raad · 09-06-2020 · zaaknummer 19/04782

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 09-06-2020
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G Niessen heeft conclusie genomen over de vraag of betaalde rente in verband met een eigenwoningschuld in aftrek kan worden gebracht voor zover deze rente ziet op een periode na overlijden waarin geen sprake meer is van een eigen woning. Erflaatster is overleden op 4 januari 2014. Erflaatster heeft op die datum rente, in het kader van de eigenwoningschuld, voor het gehele jaar vooruitbetaald. Belanghebbenden, de erfgenamen van erflaatster, zijn van mening dat de vooruitbetaalde rente geheel aftrekbaar is in 2014. Tussen partijen is niet in geschil dat na overlijden geen sprake is van een eigen woning in de zin van de eigenwoningregeling. De Inspecteur heeft de aftrekbare eigenwoningrente gecorrigeerd voor 361/365e deel, nu volgens de Inspecteur geen aftrek mogelijk is voor het deel na 4 januari 2014. De Rechtbank was het eens met belanghebbenden. Daarbij heeft de Rechtbank aannemelijk geacht dat de rentebetaling niet kwalificeert als een onverschuldigde betaling c.q. depotstorting. De verschuldigdheid van de rente is in hoger beroep en in cassatie niet meer in geschil. Naar het oordeel van het Hof is de rente die betrekking heeft op de periode na overlijden niet aftrekbaar, het gelijk is aan de Inspecteur. Belanghebbenden betogen dat, nu op het moment van de vooruitbetaling van rente sprake was van een eigenwoningschuld, de rente geheel aftrekbaar is. Belanghebbenden betogen dat uit artikel 3.147 Wet IB 2001 volgt dat het tijdstip van aftrekbaarheid het moment van betaling is. Dit middel faalt volgens de A-G. Om voor aftrek in aanmerking te komen moet sprake zijn van een verschuldigde betaling. Ook vooruitbetaalde rente komt in beginsel in aanmerking voor aftrek. Wat onder ‘vooruitbetalen’ is te verstaan, heeft de Hoge Raad beslist in 2002. Van vooruitbetaalde rente is sprake wanneer rente wordt betaald op een tijdstip dat ligt vóór de periode waaraan deze in economische zin dient te worden toegerekend. Daarnaast moet de rentebetaling betrekking hebben op een eigenwoningschuld. De kwalificatie als eigen woning ziet niet op een momentopname, maar op een omstandigheid die een duurkarakter heeft. Nu de woning na 4 januari 2014 niet meer als eigen woning kwalificeert, kan er vanaf die datum geen aftrek worden genoten. Voorts voeren belanghebbenden aan dat indien de Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van vooruitbetaalde rente, deze rente aftrekbaar is op grond van artikel 3.147 jo. artikel 3.120, lid 3, onderdeel a, jo. artikel 3.120, lid 4, laatste volzin Wet IB 2001. Dit middel faalt eveneens, aldus de A-G, nu die bepalingen alleen gelden voor renten die eindigen na afloop van het belastingjaar. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.