Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2020:534

Parket bij de Hoge Raad · 27-05-2020 · zaaknummer 19/03986; 19/03987

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 27-05-2020
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

In geschil is of het Hof het herzieningsverzoek van de Inspecteur heeft mogen toewijzen en of het Hof vervolgens met juistheid heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht de informatiebeschikking heeft vastgesteld, zodat belanghebbenden de gestelde vragen in verband met de buitenlandse bankrekening alsnog moeten beantwoorden. Het gaat om het beroep in cassatie van [X1], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5829 en het daarmee samenhangende beroep in cassatie van zijn echtgenote, eveneens belanghebbende. De Belastingdienst heeft van de Belgische autoriteiten microfiches ontvangen waaruit is gebleken dat belanghebbende in het jaar 1994 beschikte over een voor de fiscus geheim gehouden bankrekening bij Kredietbank Luxembourg (KB-Lux). Bij informatiebeschikking van 21 mei 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende zes vragen gesteld. Als eerste is gevraagd of de KBL-rekening nog steeds werd aangehouden in 2010 en 2011, waarop belanghebbende ontkennend heeft geantwoord. De overige vragen heeft belanghebbende in meerdere of mindere mate beantwoord. Belanghebbende heeft aan KB-Lux verzocht nadere informatie te verstrekken over het saldoverloop, het tijdstip van opheffing en de bestemming van het saldo bij opheffing. KB-Lux heeft te kennen gegeven niet meer te beschikken over die gegevens. Het Hof heeft (aanvankelijk) de informatiebeschikking vernietigd bij uitspraak van 11 juli 2017. Daartoe heeft het Hof ten aanzien van het onbeantwoorde gedeelte van vraag 5, dat ziet op het niet aangeven op welke bankrekening het saldo van de naderhand opgeheven KBL-rekening is gestort, aannemelijk geacht dat belanghebbende niet de beschikking heeft en evenmin de beschikking kan krijgen over de door de Inspecteur gevraagde informatie. Op 13 april 2017 heeft de Nederlandse Belastingdienst aan de Luxemburgse Belastingdienst een inlichtingenverzoek gericht. De Luxemburgse Belastingdienst heeft daarop informatie boven water laten brengen door KB-Lux. Daaruit blijkt dat in 1998 en 2000 bedragen zijn overgeboekt van de KBL-rekening van belanghebbende naar drie buitenlandse bankrekeningen. De KBL-rekening is op 10 juli 2002 opgeheven. De aldus verkregen nieuwe informatie is voor de Inspecteur reden geweest om op 17 mei 2018 het Hof te verzoeken om herziening van zijn uitspraak van 11 juli 2017. Het Hof heeft om te beginnen het herzieningsverzoek van de Inspecteur toegewezen. Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat de feiten en omstandigheden uit de op 22 november 2017 van Luxemburg verkregen informatie de Inspecteur niet vóór de uitspraak van 11 juli 2017 bekend waren en dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat deze feiten en omstandigheden hem ook niet redelijkerwijs bekend konden zijn. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de feiten en omstandigheden dusdanig afwijken van waar het Hof in zijn uitspraak van 11 juli 2017 vanuit is gegaan, dat zij tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als het Hof hiermee bekend was geweest. Vervolgens is het Hof overgegaan tot een inhoudelijke herbeoordeling van de informatiebeschikking. Naar het (nadere) oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht de informatiebeschikking vastgesteld. De Inspecteur heeft volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat in ieder geval de vragen 3, 4 en 5 van de informatiebeschikking niet of niet volledig zijn beantwoord, waarbij de beantwoording van de vragen mede afhankelijk is van de nadere informatie die belanghebbende wel kan verstrekken. Belanghebbenden stellen in cassatie dat het Hof artikel 8:119, eerste lid, onderdeel b, van de Awb onjuist heeft toegepast. Tevens stellen belanghebbenden dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden en de bewijslast onjuist dan wel onredelijk heeft verdeeld. Ook uiten belanghebbenden diverse motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof. De A-G merkt op dat op het moment dat het Hof op 11 juli 2017 zijn eerste uitspraak deed vast stond dat belanghebbenden in 2002 hadden verklaard begin jaren ’90 alleen de KBL-rekening te hebben aangehouden. Ook stond vast dat belanghebbenden in antwoord op de vragen van de Inspecteur in 2013 hebben verklaard het op de KBL-rekening aangehouden saldo in 1994 te hebben teruggeboekt naar een Nederlandse bankrekening. Op het moment van de uitspraak stond (nog) niet vast dat de KBL-rekening pas op 10 juli 2002 is opgeheven en dat in de periode 1998-2000 diverse overboekingen hebben plaatsgevonden naar andere door belanghebbenden in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Deze informatie werd pas op 22 november 2017 bekend, toen het inlichtingenverzoek door Luxemburg werd beantwoord. Dat ziet de A-G als nova die grond opleveren voor een nadere beoordeling in het kader van een herzieningsprocedure. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de AWR is slechts vereist dat het gevraagde op zich zelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige. De Inspecteur heeft in het kader van de afgifte van een informatiebeschikking geen vergaande onderzoeksplicht. Dat de Inspecteur ook op andere wijze de door hem gewenste informatie zou kunnen achterhalen – door zoals belanghebbende stelt een inlichtingenverzoek aan de Luxemburgse autoriteiten te richten – staat volgens de A-G niet in de weg aan de verplichting van belanghebbenden om de door de Inspecteur gestelde vragen te beantwoorden. De A-G acht de door het Hof toegepaste bewijslastverdeling juist en meent dat de daaropvolgende afwegingen van het Hof zijn aan te merken als feitelijk en niet onbegrijpelijk. De conclusie strekt ertoe dat de beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond dienen te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.