Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2020:287

Parket bij de Hoge Raad · 26-03-2020 · zaaknummer 19/03169

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 26-03-2020
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Boekwinst 2008 op Nederlands onroerend goed van een feitelijk in Nederland gevestigde Ltd. die nooit aangifte heeft gedaan. Bepaling boekwaarde; keuze van waarderingsstelsel; goed koopmansgebruik; toepassing foutenleer? Feiten: De belanghebbende is een Gibraltarese vennootschap met feitelijke leiding in Nederland. In 2008 heeft zij een in Nederland gelegen woning voor € 400.000 verkocht die zij in 1999 had gekocht en tussentijds had verhuurd. Zij heeft in de jaren 1999 t/m 2007 nooit aangifte vennootschapsbelasting gedaan en is evenmin van ambtswege aangeslagen. De huuropbrengst is dus niet belast geweest en kosten, waaronder afschrijvingen, zijn niet afgetrokken. In geschil is de omvang van de belastbare winst op de verkoop van de woning in 2008. De Rechtbank Noord-Nederland zag bij gebrek aan balans en boekwaarde een boekwinst gelijk aan de verkoopsom ad € 400.000. Het Hof Arnhem-Leeuwarden daarentegen oordeelde dat er een boekwaarde had moeten zijn en dat die in mindering komt op de verkoopprijs. Hij heeft die bepaald door de kostprijs ad € 249.579 in goede justitie te verminderen met een jaarlijkse afschrijving ad 2,5% van die kostprijs voor de jaren t/m 2007, in totaal € 56.155, zodat een boekwaarde resulteerde ad € 193.424 en daarmee een boekwinst ad € 206.576. De belanghebbende betoogt in cassatie onder I primair dat geen afschrijvingen in aanmerking konden worden genomen omdat zij voor 2008 nooit aangifte heeft gedaan en niet belastingplichtig was. Subsidiair betoogt zij dat als wél afgeschreven moest worden, die inhaalafschrijving volgens de foutenleer niet vóór 2008 valt, maar in het oudste openstaande boekjaar (2008), zodat die afschrijving in 2008 niet alleen de boekwaarde, maar ook de jaarwinst verlaagt, zodat de boekwinst gelijk is aan het verschil tussen verkoop- en aankoopprijs. Middel II stelt dat de belanghebbende niet (correct) is uitgenodigd tot het doen van aangifte 2014 en dus geen verzuimboete beliep en middel III bestrijdt ’s Hofs proceskostenberekening. A-G Wattel vat middel I primair op als inhoudende dat de belanghebbende geacht wil worden te hebben gekozen voor een waarderingsstelsel zonder afschrijving. De vraag is of goed koopmansgebruik dat toestaat. Uit oude rechtspraak volgt dat een ondernemer zijn bedrijfsmiddelen mag waarderen op de waarde in het economische verkeer (WEV) op balansdatum in plaats van op kostprijs minus afschrijving of lagere bedrijfswaarde. Recentere rechtspraak lijkt die stelselkeuzevrijheid te bevestigen. Belanghebbendes betoog hangt tussen de twee genoemde stelsels in, nu zij niet wenst af te schrijven of afgeschreven te hebben, hetgeen een keuze voor WEV impliceert, maar in tegenspraak daarmee de boekwaarde van de woning per 1 januari 2008 wil baseren op de kostprijs in 1999, hetgeen alleen verenigbaar met kostprijs minus afschrijving of lagere bedrijfswaarde. De belanghebbende zou daarom volgens de AG strikt genomen alsnog in de gelegenheid gesteld moeten worden om te kiezen, maar te voorspellen valt dat zij kiest voor het WEV-stelsel omdat dat vrijwel zeker tot een lagere boekwinst in 2008 leidt. Gegeven haar consistente wens niet af te schrijven en gegeven dat de feiten geen aanwijzing bieden dat zij in de jaren vóór 2008, dan wel op 1 januari 2008, gekozen zou hebben voor kostprijs minus afschrijving of lagere bedrijfswaarde, impliceert haar betoog dus een keuze voor het WEV-stelsel. Volgens de A-G treft middel I primair - aldus opgevat – dus doel treft en moet de zaak verwezen worden naar de feitenrechter om de waarde in het economische verkeer van het appartementsrecht per 1 januari 2008 vast te stellen. Dat is onbevredigend omdat dan alleen de waardestijging 2008 belast kan worden, terwijl de eerdere waardestijgingen en de aanzienlijke huuropbrengsten in eerdere jaren onbelast blijven door verstrijken van de navorderingstermijn en gewetensgeld niet te verwachten valt. Middel I subsidiair gaat impliciet uit van waardering op kostprijs minus afschrijving. Dit middelonderdeel lijkt steun te vinden in HR BNB 2001/3, waarin de foutenleer werd toegepast op afschrijvingsfouten: door activeringsverzuim gemiste afschrijving op een bedrijfsmiddel (dat nog steeds op de balans zou moeten staan) kan alsnog ingehaald worden in het oudste nog openstaande boekjaar. HR BNB 2001/3 betrof echter een belastingplichtige die wél in alle voorgaande jaren aangifte had gedaan en wél was aangeslagen en dus fouten kon maken. De belanghebbende daarentegen heeft nooit aangifte gedaan en kan in die niet-gedane aangiften dus ook geen fouten gemaakt hebben, laat staan foutenleerfouten die doorwerken in de voor die jaren niet-bestaande fiscale balansen. A-G Wattel meent dat waardering op kostprijs minus afschrijving in die omstandigheden leidt tot een jaarlijkse verlaging van het eigen vermogen ter zake van het appartementsrecht (in 1999 € 249.579; kostprijs) met de jaarlijkse afschrijving, nu de ontvangen huur kennelijk steeds in hetzelfde jaar is gebruikt om kosten te betalen of is onttrokken ten behoeve de DGA, zodat de ontvangen huur ultimo 2007 uit het eigen vermogen verdwenen is. Nu de partijen geen afschrijvingsgegevens hebben ingebracht, mocht het Hof de jaarlijkse afschrijving volgens de AG in goede justitie bepalen op 2,5% van de kostprijs per jaar. In deze benadering moet in 2007 en 2008 wel de afschrijvingsbeperking ex art. 3:30a Wet IB 2001 toegepast worden, zodat in die jaren vermoedelijk niet afgeschreven kan worden, maar om dat vast te stellen, moet de WOZ-waarde per 1 januari 2007 van de woning bekend zijn, die het Hof niet heeft vastgesteld. Ook in deze subsidiaire benadering moet dus vernietigd en verwezen worden. De A-G acht de cassatiemiddelen II en III ongegrond. Conclusie: Middel I gegrond; vernietigen en verwijzen.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.