ECLI:NL:PHR:2020:271
Parket bij de Hoge Raad · 24-03-2020 · zaaknummer 18/04481
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet op de identificatieplicht (identiteitskaart) o.g.v. valse persoonsgegevens doen verstrekken, art. 231.1 Sr. Aan uit Iran afkomstige verdachte, die in 2001 in Nederland asiel heeft aangevraagd o.g.v. valse naam A, wordt in 2012 verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en Nederlanderschap op naam van A verleend alsmede Nederlands paspoort op naam van A verstrekt. Verdachte vraagt in 2014 identiteitskaart aan op naam van A, waarna gemeente in 2015 op hoogte raakt van verdachtes naam B. In 2016 bericht IND dat wordt afgezien van intrekking Nederlanderschap en wordt aan verdachte Nederlands paspoort op naam van A verstrekt. 1. Heeft verdachte in 2014 identiteitskaart doen verstrekken o.g.v. ‘valse’ persoonsgegevens? Staat eerdere (2012) en latere (2016) verstrekking paspoort op naam van A aan bewezenverklaring in de weg? 2. Beroep op art. 31.1 Vluchtelingenverdrag. Conclusie strekt tot verwerping.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
