ECLI:NL:PHR:2020:13
Parket bij de Hoge Raad · 09-01-2020 · zaaknummer 19/02419
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de berekening van de KIA voor een belastingplichtige die onderneemt via een samenwerkingsverband. Belanghebbende drijft samen met zijn broer een vof. Beide vennoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de winst en hebben in 2016 gezamenlijk een bedrag van € 119.385 in de vennootschap geïnvesteerd. Belanghebbende meent dat hij op basis van art. 3.41 Wet IB 2001 een bedrag van € 14.508 in aanmerking kan nemen als kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Het Hof heeft geoordeeld dat het bij het totale investeringsbedrag van de vof behorende bedrag aan KIA, zijnde € 14.505, bij helfte moet worden verdeeld over belanghebbende en zijn broer. Verder oordeelt het Hof dat de tekst van art. 3.41 Wet IB 2001 geen steun geeft aan de opvatting van belanghebbende. Het eerste middel van belanghebbende betoogt – kort gezegd – dat alleen zijn berekeningsmethode (geen verdeling over vennoten) steun vindt in de tekst van de wet. De A-G is het met het Hof en de Staatssecretaris eens dat hun berekeningsmethode (wel verdeling over vennoten) in overeenstemming is met doel en strekking van de regeling. Het betoog van belanghebbende laat naar de mening van de A-G echter zien dat het oordeel van het Hof niet helemaal helder is. Een grammaticale uitleg van het huidige art. 3.41 Wet IB 2001 geeft immers wel aanknopingspunten voor de berekeningsmethode die belanghebbende bepleit. Desalniettemin concludeert de A-G dat de berekeningsmethode van belanghebbende in strijd is met de bedoeling van de wetgever en tot ongerijmde resultaten leidt. Daar komt volgens de A-G nog bij dat de wettekst ook kan, en in zijn ogen: moet, worden gelezen in lijn met de berekeningsmethode van het Hof. Het eerste middel faalt. Het tweede middel dat belanghebbende voorstelt betoogt dat de berekeningsmethode van het Hof in strijd is met HR 24 mei 2019, nr. 18/00135, ECLI:NL:HR:2019:785. De aangeroepen overweging van de HR ziet op de kwestie van de buitenvennootschappelijke investeringen. Belanghebbende heeft geen buitenvennootschappelijke investeringen gedaan en daarom kan volgens de A-G de stelling van belanghebbende niet aan het arrest van 24 mei worden ontleend. Zij is naar zijn mening bovendien in strijd met de wijze waarop volgens hem de tekst van de wet moet worden gelezen. Het tweede middel faalt. De A-G concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
