ECLI:NL:PHR:2020:1205
Parket bij de Hoge Raad · 23-12-2020 · zaaknummer 20/01485; 20/01486; 20/01487; 20/01488; 20/01489
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag in hoeverre de waarde van verkregen aandelen toerekenbaar is aan een vastgoed onderneming, voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956. Het gaat om het beroep in cassatie van [X1], belanghebbende, en de daarmee samenhangende beroepen in cassatie van de andere erfgenamen, eveneens belanghebbenden, tegen de uitspraken van Gerechtshof Amsterdam van 12 maart 2020, nrs. 18/00446 tot en met 18/00450. Op 27 november 2012 is de erflaatster overleden. Belanghebbenden zijn haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel gerechtigd tot de nalatenschap. Deze bestaat met name uit (certificaten van) aandelen in drie vennootschappen die zich bezig houden met de ontwikkeling en verhuur van vastgoed. In hun aangifte voor de erfbelasting hebben belanghebbenden zich op het standpunt gesteld dat de vennootschappen met hun volledige vermogen een materiële onderneming drijven. Bijgevolg achten belanghebbenden op de gehele verkrijging van de aandelen de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) van toepassing. De Inspecteur heeft daarentegen gesteld dat de BOF alleen van toepassing is ter zake van de vastgoed ontwikkelingsactiviteiten die tezamen een materiële onderneming vormen. Ter zake van de overige (verhuur)activiteiten acht de Inspecteur de BOF niet van toepassing. Na bezwaar heeft de Inspecteur een splitsing aangebracht. Daarbij is een (beperkt) deel van de onroerende objecten, als betrokken bij projectontwikkeling, geëtiketteerd als bedrijfsvermogen. Slechts in zoverre heeft de Inspecteur de BOF van toepassing geacht op de verkregen aandelen. Ter zake van de als privévermogen aangemerkte resterende (verhuurde) objecten, is de BOF niet toegepast. Ten gronde hebben Rechtbank en Hof de Inspecteur – afgezien van enkele correcties – in het gelijk gesteld in de gemaakte splitsing. Belanghebbenden komen daartegen thans op in cassatie onder aanvoering van vijf middelen. De A-G is in principe eveneens van mening dat er in uitgangspunt een splitsing moet plaatsvinden. Volgens de A-G is het niet zo dat als er maar zodanige vastgoed ontwikkelingsactiviteiten zijn dat die een onderneming vormen, alle vastgoed activiteiten, zoals verhuur, daarin worden meegetrokken. Daarvan zou slechts sprake kunnen zijn als de feitelijke situatie zo is dat de ontwikkelings- en verhuuractiviteiten zo nauw met elkaar verweven zijn dat er sprake is van één onderneming. Uit de beoordeling van het eerste middel volgt echter dat dit in casu niet het geval is. Echter, de A-G acht de door het Hof gemaakte splitsing, ten gronde en feitelijk, in bepaalde opzichten onjuist, althans onbegrijpelijk. Met belanghebbenden ziet de A-G als gebrek in de Hofuitspraak dat niet is nagegaan of voor bepaalde verhuurde panden geldt dat die, zoals kan gelden voor keuzevermogen in de Wet IB 2001, voldoende band met de overige wel aanwezig geachte bedrijfsuitoefening hebben om voor die verhuurde panden een (hypothetische) keuze voor ondernemingsvermogen te kunnen rechtvaardigen. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever de vermogensetiketteringsregels ook van toepassing acht op de een toerekening als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, aanhef en onderdeel c SW. Echter, omdat een vennootschap geen keuze kan of mag maken, worden vermogensbestanddelen waarvoor een IB-ondernemer de keuze zou hebben tussen ondernemings- of privévermogen, voor de bedrijfsopvolgingsregeling aangemerkt als ondernemingsvermogen. Het staat vast dat er binnen [E] op zich - in de vorm van de ontwikkelingsactiviteiten - een onderneming aanwezig is. Als er thans hypothetisch van wordt uitgegaan dat de verhuuractiviteiten op zichzelf geen onderneming vormen, resteert de (objectieve) vraag of bepaalde verhuurde panden voldoende verband hebben met de bedrijfsuitoefening om een (hypothetische) keuze om die panden toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen, te kunnen rechtvaardigen. Aan die toetsing is het Hof volgens de A-G ten onrechte voorbij gegaan. Daarom meent de A-G dat een en ander na verwijzing nader zal moeten worden uitgezocht en beoordeeld. Daarop vooruitlopend wordt in de conclusie geattendeerd op bepaalde mee te wegen aspecten. De conclusie strekt ertoe dat de beroepen in cassatie van belanghebbenden gegrond dienen te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
