ECLI:NL:PHR:2020:1121
Parket bij de Hoge Raad · 25-11-2020 · zaaknummer 20/01121
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de vraag of een bevoegdheid tot navordering bestaat ter correctie van aangiftegegevens die, ondanks een daartoe strekkende uitworp van de aangifte, niet zijn onderzocht. Aan belanghebbende zijn een navorderingsaanslag IB / PVV 2012 en een aanslag IB / PVV 2013 opgelegd, beide ter correctie van het aangegeven verlies uit overige werkzaamheden. In deze jaren heeft belanghebbende bedragen betaald ten behoeve van de noodlijdende onderneming van zijn – nadien gefailleerde – partner, waarvoor regresvorderingen zijn ontstaan van hem op haar. Belanghebbende wenst deze vorderingen geheel af te waarderen. In geschil is (voor 2012) of de Inspecteur bevoegd is tot navordering en (voor beide jaren) of de afwaardering terecht is geweigerd. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de Rechtbank laat de enkele omstandigheid dat de aangifte voor 2012 een (hoog) negatief resultaat uit overige werkzaamheden vermeldt, de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid open dat de aangifte juist is. Daarom heeft de Inspecteur volgens de Rechtbank niet een ambtelijk verzuim begaan door de aangifte op dit punt niet te onderzoeken. De Rechtbank is ervan uitgegaan dat de door belanghebbende betaalde bedragen verband houden met een borgstelling ter zake van door zijn partner voor haar onderneming aangegane verplichtingen. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de borgstelling haar oorzaak vindt in onzakelijke motieven. Volgens de Rechtbank zou geen zakelijk handelende derde bereid zijn geweest zich op gelijke wijze als belanghebbende hoofdelijk borg te stellen voor die verplichtingen en laat zich geen vergoeding denken waartegen een dergelijke derde wel daartoe bereid zou zijn geweest. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het Hof kan niet de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid worden uitgesloten dat de aangifte voor 2012 (toch) juist is, ook al vermeldt de aangifte een (hoog) negatief resultaat uit overige werkzaamheden. Hieraan doet niet af dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, de aangifte ondanks daarop betrekking hebbende uitworpredenen toch geautomatiseerd is afgedaan, omdat ook dan de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte op dit punt juist is. Anders dan de Rechtbank is het Hof ervan uitgegaan dat de door belanghebbende betaalde bedragen niet verband houden met een borgstelling maar hebben geleid tot regresvorderingen van hem op zijn partner. Wel is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat de afwaardering van de regresvorderingen niet aftrekbaar is omdat een onzakelijk debiteurenrisico is gelopen. Op de gronden die de Rechtbank heeft gehanteerd, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende dit risico heeft aanvaard. Daaraan voegt het Hof toe dat de onderneming van de partner van belanghebbende “in zwaar weer” heeft verkeerd, dat hij hiervan op de hoogte is geweest en dat hij desondanks geen rentevergoeding of zekerheden heeft bedongen. In cassatie stelt belanghebbende vijf middelen voor. Het eerste middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat de Inspecteur heeft beschikt over een nieuw feit. Het betoogt dat de Inspecteur een beoordelingsfout heeft begaan door de aangifte niet te onderzoeken en dat, onder verwijzing naar HR BNB 2018/147, de eventuele niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid van een juiste aangifte niet meer aan de orde komt. A-G Niessen leidt uit HR BNB 2018/147 af dat de onderzoeksplicht van de inspecteur zowel de uitworpreden omvat als daarmee rechtstreeks verband houdende aangiftegegevens. Daarmee is gegeven dat het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht een verzuim betekent. De uitworp houdt in dat de inspecteur erop wordt gewezen dat een onderdeel van de aangifte ‘verdacht’ is en aandacht dient te krijgen. Volgens de A-G indiceert de uitworp dat nu juist niet sprake is van de niet onwaarschijnlijke kans dat de aangifte juist is. Dus leidt het eerste middel tot cassatie. Het vierde middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat een onzakelijk debiteurenrisico is gelopen en betoogt dat het Hof dit oordeel ten onrechte niet heeft gegrond op gedragingen van belanghebbende als crediteur. Volgens de A-G komt het erop aan of belanghebbende een debiteurenrisico heeft aanvaard dat zijn oorzaak vindt in de persoonlijke betrekkingen tussen hem en zijn partner. Het Hof is uitgegaan van dezelfde opvatting. Het bestreden oordeel is niet onvoldoende gemotiveerd. Daarmee leidt het vierde middel niet tot cassatie. De overige middelen bevatten klachten die uitgaan van een onjuiste lezing van de uitspraak van het Hof dan wel zich richten tegen de uitleg door het Hof van wat belanghebbende heeft aangevoerd en de waardering door het Hof van wat hij heeft aangedragen als bewijsmiddelen. Deze middelen leiden niet tot cassatie. De conclusie strekt tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie van belanghebbende voor zover het betrekking heeft op de navorderingsaanslag en tot het ongegrond verklaren daarvan voor het overige.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
