ECLI:NL:PHR:2019:828
Parket bij de Hoge Raad · 22-08-2019 · zaaknummer 19/00014
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft een conclusie genomen over de vraag of de aftrekbeperking van art. 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 een ontoelaatbare dubbele bestraffing (ne bis in idem) voor belanghebbende meebrengt, nu belanghebbende reeds strafrechtelijk is veroordeeld. Belanghebbende is onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld voor de handel in en verkoop van merkvervalste kleding, tassen, parfum en schoenen in de periode van 24 september 2009 t/m 4 juli 2011 en deelname aan een criminele organisatie. Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 3.14, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001, de kosten en lasten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige bij onherroepelijke uitspraak door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld, niet in aftrek komen. Nu belanghebbende in 2014 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van de handel in merkvervalste goederen, komen de inkoopkosten en de overige door belanghebbende gestelde kosten niet in aftrek bij de bepaling van de winst, aldus het Hof. Toepassing van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001, leidt volgens het Hof niet tot een dubbele bestraffing. In de conclusie staat de vraag centraal of dat juist is. A-G Niessen komt eerst tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende op het ne bis in idem beginsel niet kan slagen, nu er geen geschreven rechtsregel bestaat waarop de toepassing van het ne bis in idem beginsel in onderhavig geval kan worden gebaseerd, ook al zou werkelijk sprake zijn van een dubbele bestraffing. Maar voor het geval de Hoge Raad hier anders over denkt heeft A-G Niessen voorts uiteengezet of er sprake is van een ongeoorloofde dubbele bestraffing. Met name doet zich de vraag voor of de aftrekuitsluitingsregeling van artikel 3.14, lid 1, aanhef en onderdeel d, Wet IB 2001 strafvorderlijk van aard is. Aan de ene kant zijn er voor wat betreft de kwalificatie van de met de aftrekuitsluiting bedreigde kosten en lasten ‘criminele’ elementen aanwijsbaar, zij het dat de aftrekuitsluiting als zodanig niet ziet op de kern van het misdrijf. Verder komt de sanctie door haar omvang als bestraffend over. Daartegenover staat dat de procedure nadrukkelijk afwijkt van een strafvorderlijke. Belangrijker nog acht A-G Niessen dat de sanctiemaat niet aansluit bij het voordeel dat de belastingplichtige behaalt met het misdrijf. Ook wordt geen verband gelegd met de ernst van het misdrijf waarvoor de strafrechter een veroordeling heeft uitgesproken. A-G Niessen licht dit toe met een voorbeeld. In het voorbeeld wordt uitgegaan van een vast belastingpercentage van 50. Een belastingplichtige handelt in merkvervalste kleding en behaalt een omzet van 1000. De kosten belopen 900, dus is de winst 100. Hij betaalt 50 belasting. Wanneer de kostenaftrek wordt geschrapt, betaalt hij 500 belasting, dus 10 maal zoveel. Een andere belastingplichtige verkoopt heroïne en behaalt eveneens een omzet van 1000 maar de kosten belopen slechts 200. Hij betaalt 400 belasting. Wanneer de kostenaftrek wordt geschrapt, betaalt hij 500 belasting, hetgeen in zijn geval ‘maar’ 25% meer is dan zonder toepassing van de aftrekuitsluiting. De sanctie is dus in dit voorbeeld veel lichter voor degene die de meeste winst met zijn verboden handel behaalt, terwijl hij bovendien een als ernstiger te kwalificeren misdrijf pleegt. De wijze waarop de omvang van de sanctie wordt vastgesteld, is dus geenszins kenmerkend voor een bestraffende sanctie. De wetgever heeft zijn maatregel beargumenteerd met een opvatting omtrent de aard van de uitgaven die als kosten bij de winstbepaling in mindering kunnen komen. Die redengeving is hierin terug te vinden dat de sanctiemaat niet is geënt op de met het delict behaalde profijt maar louter op de omvang van de ermee gemoeide kosten. Al met al meent A-G Niessen dat de wetgever een bestuurlijke sanctie in het leven heeft geroepen en niet een strafvorderlijke, ondanks dat de betrokken belastingplichtige onder omstandigheden een in verhouding tot het behaalde voordeel zeer grote last wordt opgelegd. Nu de regeling niet strafvorderlijk van aard is, kan er ook geen sprake zijn van een ongeoorloofde dubbele bestraffing.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
