ECLI:NL:PHR:2019:795
Parket bij de Hoge Raad · 30-07-2019 · zaaknummer 19/00230
Inhoudsindicatie
Mocht het Hof het ter zitting gedane bewijsaanbod van belanghebbende passeren als tardief? Heeft het Hof de verwijzingsopdracht goed opgevat? A-G IJzerman heeft heden conclusie genomen in de zaak met nummer 19/00230 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] GmbH, belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Verwijzingshof) van 29 november 2018. Belanghebbende was tot 3 november 2015 eigenaar van een kantoorgebouw, bestaande uit vier afzonderlijke WOZ-objecten. Deze zijn op die datum verkocht voor een bedrag van in totaal € 4.887.213. Het materiële geschil betreft de juiste waardevaststelling van de objecten voor het kalenderjaar 2015, met waardepeildatum 1 januari 2014. De heffingsambtenaar heeft die vastgesteld op € 5.269.000. In beroep heeft de Rechtbank de WOZ-waarden (deels) verminderd, waarbij de Rechtbank de in aanmerking genomen huurwaardekapitalisatiefactor heeft verminderd. De Rechtbank heeft geen betekenis toegekend aan de verkoop, gelegen één jaar en tien maanden na de waardepeildatum, omdat die te ver weg in de tijd zou liggen. Belanghebbende is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de Rechtbank en de wijze van toepassing van de huurwaardekapitalisatiefactor. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Gerechtshof Den Haag is op te maken dat gedurende de zitting de vraag opkwam of het eigen verkoopcijfer (alsnog) bruikbaar is te achten voor waardebepaling per peildatum en, zo ja, welke correcties daarop, terugrekenend volgens de marktontwikkeling, dienen te worden toegepast. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende verzocht om na de zitting in de gelegenheid te worden gesteld haar standpunt over marktontwikkeling met bewijsstukken te onderbouwen. Belanghebbende ziet namelijk een opwaartse marktontwikkeling in de periode tussen de waardepeildatum en de verkoop, zodat terug rekenend de waarde per waardepeildatum lager moet worden gesteld dan de gerealiseerde verkoopprijs. Gerechtshof Den Haag heeft de WOZ-waarden zoals vastgesteld door de Rechtbank in stand gelaten, zij het op basis van indexering van het eigen verkoopcijfer per 3 november 2015, in plaats van de door de Rechtbank toegepaste huurwaardekapitalisatiemethode. Belanghebbendes bewijsaanbod is afgewezen als tardief gedaan. Bij (eerste) arrest van 15 september 2017 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van belanghebbende gegrond verklaard en de zaak verwezen naar het Verwijzingshof met de volgende verwijzingsopdracht: ‘Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken alsnog over te leggen, zal het gerechtshof een afweging moeten maken tussen enerzijds het belang bij het overleggen van die stukken en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Bij die afweging spelen de redenen waarom de stukken niet reeds aan de rechtbank werden overgelegd een rol.’ Bij bevestigende beantwoording zijn voorts de WOZ-waarden nog in geschil. Het Verwijzingshof is gekomen tot hetzelfde eindoordeel als het eerdere Hof, namelijk dat belanghebbendes bewijsaanbod moet worden gepasseerd als tardief. Belanghebbende komt daartegen thans op in (tweede) beroep in cassatie. Het Verwijzingshof heeft de verwijzingsopdracht als volgt opgevat: ‘Voor het Hof ligt in essentie de vraag voor of belanghebbende zich terecht op het standpunt stelt dat zij er in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden dat het eigen verkoopcijfer van de onroerende zaak tijdens de procedure in hoger beroep alsnog een relevant gegeven zou kunnen zijn voor de vast te stellen waarde.’ De A-G begrijpt niet waarom het Verwijzingshof is overgegaan tot deze herformulering van de op zich al duidelijke verwijzingsopdracht. Het komt de A-G voor dat de herformulering inhoudelijk niet juist is ten opzichte van de door de Hoge Raad gegeven verwijzingsopdracht. Het Hof heeft belanghebbendes bewijsaanbod gepasseerd, omdat belanghebbende het aangeboden bewijs al eerder in het geding had kunnen brengen. Daarover merkt de A-G op dat het er niet om gaat of belanghebbende dat had gekund, maar of dat moest. Er is geen algemene regel die een belanghebbende verplicht van al haar stellingen bewijs over te leggen zodra dat technisch mogelijk is. De stelling van belanghebbende houdt in dat zij er gezien het procesverloop niet op bedacht behoefde te zijn dat het eigen verkoopcijfer tijdens de procedure in hoger beroep alsnog een relevant gegeven zou kunnen zijn voor de vast te stellen WOZ-waarden. Op die volgens de A-G relevante stelling is het Verwijzingshof ten onrechte niet of nauwelijks ingegaan. Een verlenging van een lopende procedure bij een rechtbank of een gerechtshof in verband met bewijslevering vindt de A-G op zichzelf geen zwaarwegend belang om een bewijsaanbod te passeren. De A-G hecht in het bijzonder aan de materiële waarheidsvinding. Overigens acht de A-G het een omissie dat verzuimd is aan de heffingsambtenaar te vragen of die ermee kon instemmen dat aan belanghebbende de gelegenheid zou worden geboden tot bewijslevering. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
