ECLI:NL:PHR:2019:791
Parket bij de Hoge Raad · 26-07-2019 · zaaknummer 18/04593
Inhoudsindicatie
Op 17 oktober 2016 heeft belanghebbende een appartementsrecht verkregen in een zogeheten transformatiepand. Het transformatiepand is een voormalig kantoorpand dat wordt ontwikkeld ter transformatie in 25 wooneenheden. Tot 17 oktober 2016 heeft een aannemer diverse werkzaamheden verricht aan het transformatiepand; vanaf 17 oktober 2016 resteren enkele werkzaamheden voor belanghebbende. Voor de Rechtbank en het Hof is in geschil of het transformatiepand op 5 oktober 2016 een woning is als bedoeld in artikel 14(2) WBR. Zo ja, dan is de verkrijging belast met 2% overdrachtsbelasting; zo neen, dan bedraagt het tarief volgens artikel 14(1) WBR 6%. De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een woning. Zij stelt voorop dat het transformatiepand oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd voor ander gebruik dan bewoning, namelijk als kantoor. Vervolgens gaat zij na of het transformatiepand door latere verbouwing naar zijn is bestemd tot woning op het verkrijgingstijdstip. De Rechtbank komt niet tot een duidelijke slotsom wanneer zij de arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 toepast: volgens de Rechtbank is het transformatiepand op 17 oktober 2016 niet langer naar zijn aard bestemd tot kantoorpand en evenmin inmiddels naar zijn aard bestemd voor bewoning. De Rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de eisen en/of beperkingen die voortvloeien uit publiekrechtelijke voorschriften voor (het gebruik van) het transformatiepand. Gelet op de omgevingsvergunning voor woningbouw waarover belanghebbende beschikt, oordeelt de Rechtbank dat het tarief van 2% ten onrechte niet is toegepast. Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank, maar bezigt hiertoe andere gronden. Het Hof overweegt dat het transformatiepand in zijn totaliteit oorspronkelijk voor ander gebruik dan bewoning is ontworpen maar door de latere verbouwingswerkzaamheden in samenhang met de juridische splitsing in afzonderlijke onroerende zaken naar de aard tot verschillende woningen is bestemd. Het Hof acht nog richtinggevend dat deze bestemming strookt met de opzet en tenuitvoerlegging van het transformatieplan en de in dat verband al bestaande of verleende publiekrechtelijke vergunningen. In cassatie stelt de Staatssecretaris twee middelen voor. Middel I bestrijdt het oordeel van het Hof dat sprake is van een woning, mede met het betoog dat de vuistregels die de Hoge Raad heeft gegeven in de arresten van 24 februari 2017 niet zijn toegesneden op een bouwwerk dat oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd voor ander gebruik dan bewoning maar op het moment van verkrijging wordt verbouwd voor bewoning, zoals het transformatiepand. Volgens de Staatssecretaris bieden de arresten van 24 februari 2017 (dus) geen uitsluitsel voor de vraag of het transformatiepand al dan niet een woning is op het verkrijgingstijdstip. Middel II richt motiveringsklachten tegen hetzelfde oordeel. A-G Ettema onderscheidt twee alternatieven als zij met de Staatssecretaris zou aannemen dat de overgang van een niet-woning naar een woning niet kan worden bepaald aan de hand van de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017. Het eerste alternatief is een strengere maatstaf dan deze vuistregels, bijvoorbeeld doordat een niet-woning pas zou overgaan naar een woning nadat de laatste uitvoeringshandeling voor de verbouwing is afgerond. De A-G ziet echter onvoldoende grond voor een strengere maatstaf. Volgens de A-G reiken de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14(2) WBR en het relevante beleid geen strengere maatstaf aan, maar onderscheiden uitsluitend tussen onroerende zaken die naar hun aard zijn bestemd tot woning en andere onroerende zaken. Ook constateert de A-G dat de gerechtshoven eensgezind toetsen of de verbouwing al heeft geleid tot een bouwwerk dat naar zijn aard is bestemd tot woning op het verkrijgingstijdstip. Het tweede alternatief is een ruimere maatstaf, bijvoorbeeld doordat een niet-woning al zou overgaan naar een woning vanaf het maken van verbouwingsplannen en –tekeningen, vanaf het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning of vanaf het verrichten van de eerste uitvoeringshandeling voor de verbouwing. De A-G ziet evenmin voldoende grond voor een ruimere maatstaf dan de vuistregels van de arresten van 24 februari 2017. Volgens de A-G suggereren de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14(2) WBR en het relevante beleid geen ruimere maatstaf, net zo min als zij een strengere maatstaf aanreiken. De A-G gaat (dus) uit van de vuistregels ter beoordeling of de verkrijging van een onroerende zaak die oorspronkelijk is gebouwd en ontworpen als niet-woning, deelt in het verlaagde tarief als gevolg van een verbouwing op het verkrijgingstijdstip. Beoordeeld naar het oorspronkelijk ontwerp- en bouwdoel, is het transformatiepand een kantoor. Dat blijft zo totdat het transformatiepand zodanig is verbouwd dat de aard is gewijzigd naar woning. In één van de arresten van 24 februari 2017 is namelijk de vuistregel gegeven dat een oorspronkelijk kantoorpand alsnog wordt gelijkgesteld aan een oorspronkelijke woning als het door latere verbouwing naar zijn aard tot woning is bestemd. De A-G merkt op dat deze vuistregel zich strikt of los laat lezen. Een strikte lezing impliceert dat een kantoorpand gelijkgesteld wordt aan een woning na – dus: niet eerder dan – en als gevolg van een zodanig aardveranderende verbouwing dat het (nagenoeg) alle bouwkundige kenmerken van een woning heeft. Uitgaande van deze strikte lezing meent de A-G dat de feitelijke vaststellingen over de verrichte verbouwingswerkzaamheden geen andere gevolgtrekking toestaan dan dat het transformatiepand (nog) geen woning is op het verkrijgingstijdstip. Het middel is dan terecht voorgesteld. Een losse lezing laat ruimte om het transformatiepand aan te merken als ‘geenaardig’ bouwwerk: een bouwwerk dat in zijn geheel is te bestemmen tot een woning, iets anders of beide, maar op het verkrijgingstijdstip de bouwkundige kenmerken van geen van beide heeft doordat het niet langer naar zijn aard is bestemd tot kantoor en tegelijk nog niet is bestemd tot woning. In dit geval beslissen volgens de A-G de publiekrechtelijke (gebruiks)eisen en/of (gebruiks)beperkingen. Deze losse lezing heeft de voorkeur van de A-G. Uitgaande van de losse lezing komt de A-G tot de slotsom dat het transformatiepand een ‘geenaardig’ bouwwerk is en dat de omgevingsvergunning voor woningbouw van belanghebbende beslist ten gunste van het verlaagde tarief. Het middel leidt dan niet tot cassatie en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. De A-G concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
