ECLI:NL:PHR:2019:714
Parket bij de Hoge Raad · 27-06-2019 · zaaknummer 18/02889
Inhoudsindicatie
[A] B.V. ([A]), behorende tot de fiscale eenheid van belanghebbende, exploiteert een douane-entrepot in [Q]. In het entrepot was in opdracht van een derde een partij nikkel opgeslagen. De nikkel werd op de [C] verhandeld. In of omstreeks het vierde kwartaal van 2012 is de partij nikkel gestolen. In januari 2013 heeft belanghebbende aangifte gedaan van de diefstal en de Belastingdienst/Douane op de hoogte gesteld. Naar aanleiding van de diefstal is aan [A] met dagtekening 1 mei 2013 een uitnodiging tot betaling (utb) van omzetbelasting uitgereikt. Naast de omzetbelasting waren geen invoerrechten verschuldigd. [A] heeft met betrekking tot de utb beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland. Deze rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep heeft [A] naderhand ingetrokken. In haar aangifte voor het tijdvak mei 2013 heeft belanghebbende verzocht om teruggaaf van omzetbelasting. De Inspecteur heeft deze teruggaaf bij beschikking verleend. Tegen die beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en verzocht om een aanvullende teruggaaf in verband met de hiervoor van [A] geheven omzetbelasting bij invoer. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen, hetgeen heeft geleid tot deze procedure. In deze procedure is belanghebbende door zowel de Rechtbank als het Hof in het ongelijk gesteld. Voor het Hof is in geschil of belanghebbende de van [A] geheven omzetbelasting in het tijdvak mei 2013 in aftrek mag brengen. Uit de uitspraak in de eerder vermelde procedure voor de rechtbank Noord-Holland heeft het Hof afgeleid dat de persoon voor wie de partij nikkel was bestemd, ten tijde van de diefstal onbekend was en dat daarmee vaststaat dat de goederen niet voor belanghebbende waren bestemd. Het Hof heeft geoordeeld dat het moment waarop het belastbare feit invoer plaatsvindt en het moment waarop de verschuldigdheid van omzetbelasting bij invoer ontstaat, samenvalt met het tijdstip waarop de goederen aan het stelsel van douane-entrepots worden onttrokken. Aangezien de diefstal plaatsvond omstreeks het vierde kwartaal 2012 en in januari 2013 door belanghebbende is geconstateerd, is de omzetbelasting bij invoer uiterlijk in januari 2013 verschuldigd geworden. Dat is dan naar het oordeel van het Hof het tijdstip waarop eventueel aftrekbare belasting verschuldigd wordt. De mededeling van het bedrag aan omzetbelasting die op 1 mei 2013 heeft plaatsgevonden, doet naar ’s Hofs oordeel geen nieuw tijdstip van verschuldigdheid van omzetbelasting bij invoer ontstaan. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een situatie van dubbele heffing. Het fiscale neutraliteitsbeginsel doet volgens het Hof niet af aan zijn hiervoor weergegeven oordelen. Het Hof komt tot de slotsom dat het verzoek om teruggaaf over de maand mei 2013 terecht is afgewezen, reeds omdat het recht op teruggaaf niet in dit tijdvak is ontstaan. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld. Middel I richt zich tegen het oordeel van het Hof dat het recht op aftrek niet ontstaat op het moment dat de utb is uitgereikt. Het middel wijst erop dat het recht op aftrek pas te gelde kan worden gemaakt op het moment dat de belastingplichtige beschikt over een document waaruit het verschuldigde bedrag aan belasting blijkt. In aanvulling op het middel betoogt middel III dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het neutraliteitsbeginsel niet aan zijn oordeel afdoet. Middel II richt zich tegen het oordeel van het Hof dat zich geen situatie van dubbele heffing voordoet. Middel IV betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht op aftrek heeft omdat de goederen niet voor belanghebbende waren bestemd. Het Hof had niet moeten beoordelen of de goederen voor belanghebbende (of [A]) waren bestemd, maar of de waarde van de nikkel tot belanghebbendes algemene kosten is gaan behoren. In onderdeel 2 van deze conclusie gaat A-G Ettema ambtshalve na op welke wijze de omzetbelasting in een geval als het onderhavige moet worden geheven en, hetgeen daarmee samenhangt, van wie de omzetbelasting wordt geheven. Aangezien het hier gaat om een partij nikkel, is naar haar mening de heffing van omzetbelasting verplicht verlegd naar de persoon voor wie de nikkel is bestemd. Dit betekent dat belanghebbende ten onrechte is uitgenodigd de omzetbelasting te voldoen. Voor deze procedure heeft dit op zichzelf geen gevolg aangezien deze uitsluitend over het recht op aftrek gaat. Het betekent wel dat reeds hierom belanghebbende geen recht op aftrek heeft. Voor het geval de Hoge Raad hier anders tegen aan kijkt, gaat de A-G in onderdeel 3 in op het tijdstip waarop de omzetbelasting in aftrek moet worden gebracht. Hoewel de omzetbelastingschuld reeds eerder is ontstaan, meent de A-G dat het recht op aftrek pas kan worden geëffectueerd als de belastingplichtige over een document beschikt waaruit de verschuldigdheid van de belasting blijkt. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende in het verkeerde tijdvak aanspraak maakt op aftrek getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 4 behandelt de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek. Deze vraag moet volgens de A-G ontkennend worden beantwoord, omdat belanghebbende de partij nikkel niet heeft gebruikt voor belaste handelingen. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
