ECLI:NL:PHR:2019:700
Parket bij de Hoge Raad · 29-05-2019 · zaaknummer 18/00806
Inhoudsindicatie
Cluster misbruik van procesrecht. Heeft het Hof terecht kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde) van belanghebbende aangenomen? Beginsel van hoor en wederhoor en de hoorplicht. Kan misbruik mede blijken uit de werkwijze van de gemachtigde in andere procedures? Aanvulling van rechtsgronden met misbruik van recht. A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2018, nr. 16/00538, ECLI:NL:GHAMS:2018:87. Het Hof heeft kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde van) belanghebbende aangenomen. Daarom geldt naar ’s Hofs oordeel als het tijdstip van indiening van het bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting niet het tijdstip van indiening op een faxnummer van de gemeente dat niet voor het maken van bezwaar tegen naheffingsaanslagen was opengesteld. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende klaagt in cassatie over de overweging van het Hof dat zijn gemachtigde bij herhaling op vergelijkbare wijze heeft gehandeld als in casu. Hij acht de door het Hof opgevoerde andere zaken irrelevant, omdat het procedures over de Wet openbaarheid van bestuur betreft, de belanghebbende en de gemeente Haarlem daarin geen partij waren en daarin op andere gronden tot een niet-ontvankelijkheidsoordeel is gekomen. Voor zover belanghebbende bedoelt dat de handelingen van de gemachtigde voor andere cliënten niet zonder meer aan belanghebbende mogen worden toegerekend, is dat volgens de A-G op zichzelf wel waar, maar niet het punt waar het hier om gaat. Naar de A-G meent heeft het Hof bedoelde handelingen genoemd, niet om die toe te rekenen aan belanghebbende, maar omdat die in breder verband licht werpen op de werkwijze van deze gemachtigde. Die bredere toetsing lijkt de A-G in overeenstemming met de jurisprudentie van de Afdeling. Aangaande de omvang van het geschil klaagt belanghebbende dat het Hof kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht heeft aangenomen zonder dat de heffingsambtenaar zich op dat standpunt heeft gesteld. Daarom heeft het Hof in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb gehandeld, mede omdat het de bewijslast die op de heffingsambtenaar rust zelf zou hebben ingevuld. De heffingsambtenaar heeft bij de Rechtbank reeds het standpunt ingenomen dat het bezwaar niet-ontvankelijk is vanwege termijnoverschrijding. De belanghebbende kan daarom volgens de A-G niet volstrekt overvallen zijn doordat zowel de Rechtbank als het Hof daarin mee zijn gegaan. Ter zitting bij het Hof is bovendien artikel 6:15, derde lid, van de Awb aan de orde gekomen. Nu de ontvankelijkheid van het bezwaar wegens termijnoverschrijding uitdrukkelijk in geschil was, is het Hof, naar de A-G meent, niet buiten de rechtsstrijd getreden. Overigens merkt de A-G op dat de rechter op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, zelf de rechtsgronden aanvult. Een toetsing aan het leerstuk van misbruik van recht, behoort volgens de A-G (inderdaad) tot het recht. Het beginsel van hoor en wederhoor is volgens belanghebbende geschonden, omdat het Hof ambtshalve heeft gewezen op diverse uitspraken waarin ten aanzien van de gemachtigde misbruik van procesrecht is aangenomen. Verder heeft het overwogen dat de gemachtigde op ‘no cure, no pay’-basis werkt, terwijl dat niet is gesteld en ook niet uit de gedingstukken volgt. Belanghebbende klaagt er volgens de A-G terecht over dat een ‘no cure, no pay’-afspraak niet is gesteld door partijen. In het licht van de algemene werkwijze van de gemachtigde die volgt uit de door het Hof genoemde uitspraken zou dit wel zo kunnen zijn (het wordt in het beroepschrift in cassatie inhoudelijk ook niet betwist), maar het blijkt niet als feit uit het procesdossier. In zoverre is deze klacht terecht voorgesteld, maar tot cassatie behoeft dat, naar de mening van de A-G, niet te leiden omdat hetgeen het Hof overigens heeft vastgesteld voldoende is om de conclusie te dragen dat hier sprake is van misbruik van recht. Naar aanleiding van de klacht van belanghebbende dat hij ten onrechte niet gehoord is in bezwaar merkt de A-G op dat het reeds in het algemeen de voorkeur verdient dat processuele tekortkomingen in de voorfase, zoals het niet horen in bezwaar, zoveel mogelijk worden hersteld in beroep. Terugverwijzen lijkt de A-G meestal ondoelmatig. Bij de beoordeling van eventueel misbruik van procesrecht ziet de A-G nog minder in terugwijzen, omdat het uiteindelijk aan de rechter – en niet aan de inspecteur of heffingsambtenaar – is om te bepalen of in bezwaar en/of beroep sprake is van misbruik van processuele bevoegdheden. In casu heeft belanghebbende in beroep en hoger beroep zijn standpunten gemotiveerd en heeft hoor en wederhoor plaatsgevonden. Bovendien lijkt het de A-G gelet op de omstandigheden van het geval onaannemelijk dat alsnog horen in bezwaar nog tot enig nieuw feitelijk inzicht of een andere afloop van de procedure zou kunnen leiden. Belanghebbende is door het niet horen in de bezwaarfase dus op geen enkele wijze benadeeld. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
