ECLI:NL:PHR:2019:580
Parket bij de Hoge Raad · 29-05-2019 · zaaknummer 19/00298
Inhoudsindicatie
Cluster misbruik van procesrecht. Heeft het Hof terecht kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde) van belanghebbende aangenomen? Bewijs eigen financieel belang gemachtigde. Beginsel van hoor en wederhoor en de hoorplicht. A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 januari 2019, nr. 18/00021 (niet gepubliceerd). Het Hof heeft kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde van) belanghebbende aangenomen. Daarom geldt naar ’s Hofs oordeel als het tijdstip van indiening van het bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting niet het beweerdelijke tijdstip van indiening via een van e-mailadres van de gemeente Beverwijk dat niet voor het maken van bezwaar tegen naheffingsaanslagen was opengesteld. Het bezwaar is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende betoogt ten eerste dat van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in casu geen sprake is, alleen al omdat het Hof vier pagina’s nodig heeft om tot die slotsom te komen. Verder stelt belanghebbende onder meer dat het Hof selectief citeert uit de parlementaire geschiedenis. Dit betoog vindt volgens de A-G geen steun in het recht, omdat het kan voorkomen dat er onderzoek nodig is om in een bepaald geval tot de slotsom te komen dat er sprake is van misbruik van procesrecht. De A-G meent verder dat belanghebbende hier miskent dat het Hof, kennelijk en terecht, heeft aangenomen dat bij misbruik van procesrecht ook sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, in de zin van artikel 6:15, derde lid, van de Awb. Belanghebbende klaagt verder over de overweging dat zijn gemachtigde zich bij herhaling op vergelijkbare wijze heeft gehandeld als in casu. Hij acht de door het Hof opgevoerde andere zaken irrelevant, omdat het procedures over de Wet openbaarheid van bestuur betreft, de belanghebbende en de gemeente Beverwijk daarin geen partij waren en daarin op andere gronden tot een niet-ontvankelijkheidsoordeel is gekomen. Volgens de A-G heeft het Hof de bedoelde handelingen genoemd, omdat zij een licht werpen op de algemene werkwijze van de gemachtigde. Die aanpak van het Hof lijkt de A-G goed verenigbaar met de daarop ziende jurisprudentie van de Afdeling. Een patroon van handelen, als vaste werkwijze, kan opleveren dat misbruik van procesrecht wordt vastgesteld. Het beginsel van hoor en wederhoor is volgens belanghebbende geschonden, omdat het Hof ambtshalve heeft gewezen op diverse uitspraken waarin ten aanzien van de gemachtigde misbruik van procesrecht is aangenomen. Verder heeft het Hof ambtshalve overwogen dat de gemachtigde op ‘no cure, no pay’-basis werkt, terwijl dat niet is gesteld en ook niet uit de gedingstukken zou volgen. Ten slotte zou het Hof ambtshalve hebben overwogen over de strekking van de volmacht. Belanghebbende heeft zich hier niet over kunnen uitlaten. Belanghebbende heeft volgens de A-G in zoverre gelijk dat een ‘no cure, no pay’-afspraak door partijen niet is gesteld. In de overgelegde machtiging is echter wel vermeld dat belanghebbende in het kader van cessie de vordering(en) uit hoofde van verschuldigde proceskosten door de Staat in de (hoger)beroepsprocedure overdraagt aan de gevolmachtigde. Daaruit heeft het Hof, naar de A-G meent, mogen opmaken dat de gemachtigde een eigen financieel belang had bij de processuele ‘opbrengsten’ van deze procedure. En dat is hier volgens de A-G het belangrijke element in het kader van de toetsing of sprake is van misbruik van procesrecht. Voorts heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift bij het Hof het standpunt ingenomen dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de zin van artikel 6:15, derde lid, van de Awb, waardoor de niet-tijdige ontvangst van het bezwaarschrift niet kan worden geheeld, onder verwijzing naar jurisprudentie. Belanghebbende heeft vervolgens zelf ervan afgezien nadere stukken in te dienen of ter zitting bij het Hof te verschijnen. Een en ander betekent naar de mening van de A-G dat hij in cassatie niet met vrucht kan klagen over schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Ten slotte klaagt belanghebbende erover dat hij niet is gehoord in bezwaar. De A-G acht het gelet op de omstandigheden van dit geval vrijwel uitgesloten dat het alsnog horen van belanghebbende of de gemachtigde nog tot nieuwe feitelijke inzichten en een andere afloop zou kunnen leiden. Bovendien heeft belanghebbende bij Rechtbank en Hof alle kans gekregen zich te laten horen, zodat hij thans niet kan worden gezien als benadeeld door niet te zijn gehoord in de bezwaarfase. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
