ECLI:NL:PHR:2019:381
Parket bij de Hoge Raad · 23-04-2019 · zaaknummer 17/04971
Inhoudsindicatie
Conclusie AG over vordering van twee benadeelde partijen die slachtoffer zijn geworden van oplichting door identiteitsfraude. In het middel wordt gesteld dat het hof, ondanks dat de vorderingen van de benadeelde partijen in hoger beroep in het geheel niet zijn betwist, deze ambtshalve had moeten afwijzen omdat de aangevoerde materiële schade (kosten voor werkzaamheden van familielid van een van de benadeelden om de oplichting aan het licht te brengen en schade te beperken) niet kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit en ook overigens onvoldoende is onderbouwd. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen omdat in casu de civiele stelplicht en bewijslastverdeling geldt en op grond daarvan het oordeel van het hof dat de vorderingen voor toewijzing vatbaar gelet op de informatie die zich in het dossier bevindt niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
