ECLI:NL:PHR:2019:308
Parket bij de Hoge Raad · 26-03-2019 · zaaknummer 17/05809
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/05809. Belanghebbendes werkgever heeft aan een Koreaans bedrijf opdracht gegeven om een boorschip te bouwen. Het Koreaanse bedrijf bouwt dit boorschip in Ulsan, Zuid-Korea. Belanghebbendes werkgever heeft belanghebbende ingezet als toezichthouder op de bouw van het boorschip. Belanghebbende heeft vanaf 30 juli 2010 als toezichthouder werkzaamheden verricht tijdens de proefvaarten van het schip. Het toezicht heeft bestaan uit het controleren of het gebouwde aan de technische vereisten voldeed. Na afronding van de proefvaarten heeft het Koreaanse bedrijf op 16 november 2010 het boorschip opgeleverd aan belanghebbendes werkgever. Het Koreaanse bedrijf heeft in haar kantoor in Ulsan, Zuid-Korea van maart 2010 tot december 2010 kantoorruimte aangeboden aan de werknemers van belanghebbendes werkgever. De kantoorruimte bestond uit vier kamers In cassatie is in geschil of Nederland het heffingsrecht heeft ter zake van de door belanghebbende ontvangen beloning voor zijn toezichthoudende werkzaamheden op de bouw van een boorschip door een opdrachtnemer in Zuid-Korea. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbendes werkgever geen vaste inrichting in Zuid-Korea had. Het Hof heeft daartoe overwogen dat het Koreaanse bedrijf heeft gezorgd voor de kantoorruimte. Belanghebbendes werkgever heeft geen omzet in Zuid-Korea behaald en evenmin winst aan Zuid-Korea toegerekend. De toezichthoudende activiteiten op de bouw van een boorschip staan volgens het Hof ver van de winstgenererende booractiviteiten van belanghebbendes werkgever en vormen ook niet een belangrijk deel van de activiteiten van belanghebbendes werkgever maar zijn van voorbereidende aard of hebben het karakter van hulwerkzaamheden. Belanghebbende komt in cassatie onder aanvoering van een aantal klachten op tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van vaste inrichting in Zuid-Korea. A-G Niessen overweegt dat de bewijslast dat sprake is van een vaste inrichting in Zuid-Korea, op belanghebbende rust. A-G Niessen wijst erop dat in de onderhavige zaak niet bekend is welke werkzaamheden, naast belanghebbendes werkzaamheden van toezichthoudende aard, vanuit deze kantoorruimte hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat niet kan worden nagegaan welk soort werkzaamheden gedurende welke tijd er hebben plaatsgevonden. Aangezien het op de weg van belanghebbende had gelegen om hierover meer informatie te verschaffen en dit niet is gebeurd, is zijns inziens de aan de opdrachtgever ter beschikking gestelde kantoorruimte terecht niet aangemerkt als vaste inrichting. Evenmin volgt naar de mening van A-G Niessen uit de omstandigheid dat dat de werkgever voor belanghebbende in Zuid-Korea loon heeft ingehouden en afgedragen, dat sprake was van een vaste inrichting op grond van het Verdrag. Ten overvloede overweegt A-G Niessen dat het Hof uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting over artikel 5 Verdrag, voor zover het Hof oordeelt dat de kantoorruimte geen vaste inrichting is omdat toezichthoudende activiteiten aan te merken zijn als activiteiten van voorbereidende aard of hulpwerkzaamheden. Dit kan belanghebbende in onderhavige procedure niet baten, aangezien geen sprake is van toezichthoudende activiteiten die meer dan zes maanden duren.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
