ECLI:NL:PHR:2019:1208
Parket bij de Hoge Raad · 21-11-2019 · zaaknummer 19/01242
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft een conclusie genomen ten eerste over de vraag of de navorderingstermijn wordt verlengd door verleend uitstel voor het doen van aangifte in het geval dat de aangifte al was ingediend ten tijde van het verzoek om uitstel. De tweede kwestie is of belanghebbende door zijn adviseur gebrekkig ingevulde aangiften had moeten controleren, zodat het nalaten daarvan grove schuld bij belanghebbende oplevert. Het gaat om de zaak met nummer 19/01242 naar aanleiding van het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:735. Belanghebbende heeft in de jaren 2010 tot en met 2013 bedragen uitgekeerd gekregen uit persoonsgebonden budgetten (PGB). Belanghebbende heeft zijn aangiften voor de inkomstenbelasting laten verzorgen door zijn belastingadviseur. De aangifte voor het jaar 2010 is op 11 april 2011 aan de Inspecteur verstuurd. Die aangifte is op dezelfde dag door de Inspecteur ontvangen en op 12 april 2011 in zijn systemen geregistreerd. In de aangifte zijn de PGB inkomsten ten onrechte niet opgenomen. De adviseur heeft daarna, bij brief van 23 april 2011, verzocht om uitstel voor het doen van aangifte. De Inspecteur heeft op 27 april 2011 uitstel verleend voor het doen van aangifte over het jaar 2010, tot 1 mei 2012. De Inspecteur heeft de aanslag over 2010 opgelegd met dagtekening 22 september 2011. Daarin zijn geen PGB inkomsten opgenomen. De Inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende, om de niet aangegeven PGB inkomsten na te vorderen, een navorderingsaanslag opgelegd voor het jaar 2010. De materiële belastbaarheid van de PGB inkomsten is niet in geschil. De navorderingsaanslag is gedagtekend op 26 november 2016. Dat betekent dat die is opgelegd buiten de reguliere navorderingstermijn van artikel 16, lid 3, eerste volzin, AWR, eindigend vijf jaren na 31 december 2010, dus na 31 december 2015. Belanghebbende stelt dat aangezien de navorderingsaanslag buiten die termijn is opgelegd deze, evenals de opgelegde vergrijpboete, moet worden vernietigd. Uitgaande van het verleende uitstel tot 1 mei 2012, eindigde de navorderingstermijn op 1 mei 2017, zodat de navorderingsaanslag van 26 november 2016 dan binnen de termijn is opgelegd. Echter, hier doet zich voor dat het namens belanghebbende op 23 april 2011 verzochte uitstel voor het doen van aangifte op 27 april 2011 is verleend, terwijl de aangifte al was ingediend en was binnengekomen op 12 april 2011. Dat roept de vraag op of het na 12 april 2011 formeel nog mogelijk was uitstel te verlenen voor het doen van aangifte. Het Hof heeft hierover geoordeeld dat artikel 16, lid 3, van de AWR zo moet worden opgevat dat voor een verlenging van de navorderingstermijn geen ruimte is indien de inspecteur uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend nadat die aangifte al was ingediend. Aldus blijft hier de reguliere termijn van vijf jaren gelden, eindigend na 31 december 2015. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 wegens termijnoverschrijding moet worden vernietigd, evenals de vergrijpboete. Daartegen is het middel van de Staatssecretaris gericht. De A-G merkt op dat wettelijk geldt dat de bevoegdheid van de inspecteur om een navorderingsaanslag vast te stellen vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Die termijn wordt verlengd met het desgevraagd verleende uitstel voor het doen van aangifte. Volgens de A-G wijzen zowel de wettekst als de bedoeling van deze regeling erop dat het verleende uitstel beslissend is, zonder dat van belang is of uitstel pas is verzocht na indiening van de aangifte. Daarvan uitgaande is de navorderingsaanslag tijdig opgelegd. Belanghebbende heeft zijn aangiften voor de jaren 2011 en 2012 eveneens laten verzorgen door de adviseur. In deze aangiften zijn de PGB inkomsten evenmin aangegeven. De Inspecteur heeft in verband daarmee ook over deze jaren navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd met vergrijpboeten. Hier is in geschil of terecht vergrijpboeten zijn opgelegd wegens grove schuld van belanghebbende aan het niet hebben aangegeven van de PGB inkomsten. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hem geen verwijt treft omdat hij heeft mogen vertrouwen op zijn adviseur. De Inspecteur heeft daarentegen gesteld dat belanghebbende grofschuldig heeft nagelaten de door zijn adviseur ingediende aangiften te controleren op vermelding van de PGB inkomsten. Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. Daartegen is het middel van belanghebbende gericht. De A-G meent dat de stand van de jurisprudentie ter zake met zich brengt dat belanghebbende niet verplicht was om de door zijn adviseur ingediende aangiften te controleren. Belanghebbende had alle relevante informatie verstrekt aan zijn adviseur die hij voor deskundig mocht houden. Er bestaat dan geen algemene verplichting voor belanghebbende de aangiften te controleren. Van bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken, is volgens de A-G niet gebleken. De conclusie strekt ertoe dat zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
