ECLI:NL:PHR:2019:1207
Parket bij de Hoge Raad · 21-11-2019 · zaaknummer 19/01613
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft een conclusie genomen over de vraag of de navorderingstermijn wordt verlengd door verleend uitstel voor het doen van aangifte in het geval dat de aangifte al was ingediend ten tijde van het desgevraagd verleende uitstel. Het betreft de zaak met nummer 19/01613 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:583. Belanghebbende heeft zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2010 laten verzorgen door zijn belastingadviseur. De aangifte is op 25 maart 2011 door de Inspecteur ontvangen. Daarna, op 27 april 2011, is bij de Inspecteur onder het beconnummer van de adviseur een verzoek ontvangen voor uitstel voor het indienen van de aangifte. De Inspecteur heeft uitstel verleend tot 1 mei 2012. De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV van belanghebbende, overeenkomstig de aangifte, vastgesteld op 12 maart 2012. Belanghebbende is op 29 januari 2015 door de strafrechter te Rotterdam veroordeeld vanwege witwassen. In verband daarmee heeft de Inspecteur over 2010, wegens verzwegen inkomsten, een navorderingsaanslag opgelegd met dagtekening 14 april 2016, alsmede een vergrijpboete. Het gaat in cassatie om de vraag of de navorderingsaanslag over het jaar 2010 moet worden geacht te zijn opgelegd binnen de, ingevolge artikel 16, lid 3, van de AWR geldende, wettelijke termijn van vijf jaren plus desgevraagd verleend uitstel voor het doen van aangifte. Uitgaande van het verleende uitstel tot 1 mei 2012, eindigde de navorderingstermijn op 1 mei 2017, zodat de navorderingsaanslag van 14 april 2016 dan binnen de termijn is opgelegd. Echter, hier doet zich voor dat namens belanghebbende op 27 april 2011 uitstel is verzocht. De Inspecteur heeft dat verzoek vervolgens toegewezen, terwijl de aangifte al was ingediend en was ontvangen op 25 maart 2011. Dat roept de vraag op of het na 25 maart 2011 formeel nog mogelijk was uitstel te verlenen voor het doen van aangifte. Het Hof heeft hierover geoordeeld dat artikel 16, lid 3, van de AWR zo moet worden opgevat dat voor een verlenging van de navorderingstermijn geen ruimte is indien de inspecteur uitstel voor het doen van aangifte heeft verleend nadat die aangifte al was ingediend. Aldus blijft hier de reguliere termijn van vijf jaren gelden, eindigend na 31 december 2015. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de op 14 april 2016 opgelegde navorderingsaanslag voor het jaar 2010 wegens termijnoverschrijding moet worden vernietigd, evenals de vergrijpboete. Daartegen komt de Staatssecretaris op in cassatie. De A-G merkt op dat wettelijk geldt dat de bevoegdheid van de inspecteur om een navorderingsaanslag vast te stellen vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Die termijn wordt verlengd met het desgevraagd verleende uitstel voor het doen van aangifte. Volgens de A-G wijzen zowel de wettekst als de bedoeling van deze regeling erop dat het verleende uitstel beslissend is, zonder dat van belang is of uitstel pas is verzocht na indiening van de aangifte. Daarvan uitgaande is de navorderingsaanslag tijdig opgelegd. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
