ECLI:NL:PHR:2019:1104
Parket bij de Hoge Raad · 30-10-2019 · zaaknummer 19/00166
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft een conclusie genomen over de vraag in hoeverre een strafrechtelijke vrijspraak van bepaalde drugstransacties in de weg staat aan het belasten van inkomsten daaruit. Het betreft de zaak met nummer 19/00166 naar aanleiding van de beroepen in cassatie van de Staatssecretaris en van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4414. Belanghebbende is eerder strafrechtelijk vervolgd op verdenking van handel in verdovende middelen. Het Gerechtshof Amsterdam (strafkamer) heeft bij arrest van 29 maart 1999 een groot deel van de ten laste gelegde transacties onvoldoende bewezen geacht en heeft belanghebbende in zoverre vrijgesproken. Slechts één onderdeel van de tenlastelegging werd uiteindelijk wettig en overtuigend bewezen geacht, namelijk de verkoop van handelshoeveelheden hasjiesj in de periode van 1 april 1994 tot en met 9 december 1996. Daarvoor is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. In een daarop volgende ontnemingsprocedure is het ter zake te ontnemen bedrag vastgesteld op fl. 1.038.000. De Inspecteur heeft de onderhavige aanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting in de loop van de jaren 1997 tot en met 2000 opgelegd over de jaren 1994 tot en met 1997. De aanslagen zijn bij uitspraak op bezwaar verminderd, waarbij het belastbaar inkomen onderscheidenlijk vermogen is berekend naar bedragen, variërend van ca. fl. 1,5 tot 7,7 miljoen. De Inspecteur heeft zich in de berekeningen steeds gebaseerd op het strafdossier dat ten grondslag heeft gelegen aan de strafprocedure en de daarin oorspronkelijk genoemde feiten. Het Hof heeft in zijn beoordeling van de fiscale procedure het verband (de ‘link’) betrokken met de eerdere strafrechtelijke procedure. Belanghebbende was eerder voor een groot deel van de hem ten laste gelegde feiten vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, maar was voor een onderdeel van de telastlegging wel veroordeeld. De Inspecteur nam bij de aanslagoplegging echter het standpunt in dat belanghebbende belastbaar inkomen had genoten wegens de feiten, handel in drugs, waarvoor belanghebbende wel was veroordeeld plus de feiten waarvan hij uiteindelijk was vrijgesproken. Dit gezien gebrek aan bewijs in strafrechtelijke zin, als te beoordelen volgens het (relatief zware) vereiste dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen moeten zijn. In de onderhavige fiscale procedure heeft de Inspecteur nagenoeg geen andere bewijsmiddelen aangevoerd dan die van het oorspronkelijke strafdossier. Dienaangaande heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat de onschuldpresumptie ingevolge artikel 6, lid 2, van het EVRM, eraan in de weg staat aan de belastingheffing feiten ten grondslag te leggen waarvan belanghebbende eerder is vrijgesproken. Het vermoeden van onschuld opgeroepen door een vrijspraak mag niet achteraf ter discussie worden gesteld in een fiscale procedure. Dat wordt volgens het Hof niet anders doordat in een fiscale procedure andere bewijsregels gelden dan in een strafprocedure. Daarom heeft het Hof zich in zijn beoordeling van de aanslagen slechts gebaseerd op de drugstransactie waarvoor belanghebbende wel is veroordeeld, als vastgesteld in de ontnemingsprocedure. Volgens de A-G is de Staatssecretaris daar terecht tegen opgekomen in cassatie. De A-G vindt de benadering van het Hof te algemeen en onvoldoende gemotiveerd. Volgens de A-G had het Hof eerst per aanslag met inachtneming van de fiscale bewijsregels moeten vaststellen in hoeverre een bepaalde aanslag juist is. De in het belastingrecht geldende vrije bewijsleer impliceert zijns inziens dat de Inspecteur alle door hem relevante geachte bewijsmiddelen mag aanvoeren, met inbegrip van die uit het oorspronkelijke strafdossier. Vervolgens had het Hof, naar de A-G meent, per aanslag moeten beoordelen of een bepaalde vaststelling strijd oplevert met de onschuldpresumptie. In dat kader moet goed rekening worden gehouden met de bestaande verschillen in bewijsrecht tussen enerzijds het strafprocesrecht en anderzijds het formele belastingrecht. Indien bepaalde feiten fiscaal wel bewezen worden geacht waar dat eerder strafrechtelijk niet zo was, is na te gaan of dat is terug te voeren op verschillen in bewijslastverdeling en bewijsintensiteit. Indien dat inderdaad het geval is lijkt het de A-G minder voor de hand te liggen dat een fiscale feitenvaststelling twijfel oproept over de juistheid van een eerdere strafrechtelijke vaststelling in andere zin. Deze kan immers juist zijn in het licht van het eigen procesrecht. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging de zaak te verwijzen naar een ander Hof ter nadere toetsing en beoordeling in het bovenstaande kader. De cassatiemiddelen van belanghebbende gaan over de vraag of de vereiste aangiften zijn gedaan en zien daarmee op eventuele omkering en verzwaring van de bewijslast. De A-G meent dat die middelen falen, omdat het Hof is uitgegaan van het juiste toetsingskader en verder sprake is van niet onbegrijpelijke feitelijke beoordelingen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard en dat van belanghebbende ongegrond.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
