ECLI:NL:PHR:2018:688
Parket bij de Hoge Raad · 14-06-2018 · zaaknummer 17/04086
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in (sprong)cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 14 juli 2017, nr. AWB 16/1332. Belanghebbende heeft in haar aangiften IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2013 geen melding gemaakt van de door haar gehouden bankrekeningen bij een Zwitserse bank. Op 30 december 2014 heeft belanghebbende de bankrekeningen bekendgemaakt bij de Inspecteur. In dat kader heeft zij een beroep gedaan op toepassing van de inkeerregeling als voorzien in artikel 67n van de AWR, met het oog op het vermijden van de oplegging van vergrijpboeten. Tussen de Inspecteur en belanghebbende is bij wege van vaststellingsovereenkomst, tot stand gekomen op 27 juli 2015, afgesproken dat de correcties over de jaren 2001 tot en met 2013 zullen worden geformaliseerd in één navorderingsaanslag IB/PVV 2013, enkelvoudige belasting en boeten. Het betreft een vergrijpboete van € 19.639, zijnde 30% van de over 2001 tot en met 2011 nagevorderde belasting. Het gaat in deze procedure om de toepassing van de (temporeel juiste) inkeerregeling als bedoeld in artikel 67n van de AWR. Daarin zijn, wettelijk en beleidsmatig, voor zover hier van belang, achtereenvolgens de navolgende fasen te onderscheiden. Wettelijke fase 1. Van 1 januari 1998 tot en met 1 juli 2009 gold dat op grond van artikel 67n van de AWR geen vergrijpboete werd opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Wettelijke fase 2. Artikel 67n is met ingang van 2 juli 2009 gewijzigd. Ingevolge het eerste lid wordt geen vergrijpboete opgelegd wanneer de belastingplichtige uiterlijk twee jaar nadat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan tot inkeer is gekomen. Indien de belastingplichtige na twee jaar tot inkeer is gekomen wordt de boete gematigd (30%). Na het aflopen van het beleid van tijdelijke verruiming, per 1 juli 2014, is de wettelijke fase 2 volledig in werking getreden. Belanghebbende is nadien tot inkeer gekomen, op 30 december 2014. De Inspecteur heeft beboet volgens wettelijke fase 2: geen boete over de laatste twee jaren, 2012 en 2013; over de eerdere jaren, 2001 tot en met 2011, 30% boete. Belanghebbende verlangt dat op haar de inkeerregeling van toepassing blijft zoals die was ten tijde van het doen van de onjuiste aangiften. Nu de Inspecteur de inkeerregeling heeft toegepast zoals die gold ten tijde dat zij in feite tot inkeer is gekomen, op 30 december 2014, ziet belanghebbende daarin een zwaardere bestraffing van eerder begane feiten, als verboden door artikel 7 van het EVRM en artikel 15 van het IVBPR. In verband daarmee heeft belanghebbende zich bij de Rechtbank op het standpunt gesteld dat de boete dient te vervallen ten aanzien van de vóór 1 januari 2010 gedane (onjuiste) aangiften. Het gaat daarbij om de aangiften tot en met het belastingjaar 2008, dus over de boete voor zover ziende op 2001 tot en met 2008. Volgens de A-G is de ter beslissing voorliggende vraag of nu de beboetbare feiten, het niet aangeven van de Zwitserse bankrekeningen, zich hebben voorgedaan in jaren waarin de oude inkeerregeling (geen boete) gold, maar de inkeer nadien heeft plaatsgevonden onder een voor belanghebbende minder gunstige nieuwe Nederlandse wettelijke inkeerregeling (30% boete), artikel 7 van het EVRM en artikel 15 van het IVBPR, inhoudende dat geen zwaardere straf wordt opgelegd dan ten tijde van het plegen van het beboetbare feit van toepassing was, ertoe moeten leiden dat voor belanghebbende aanspraak blijft bestaan op toepassing van de oude inkeerregeling (geen boete) voor de onderhavige jaren. Op 2 oktober 2013 is het zestiende Protocol bij het EVRM tot stand gekomen en ter ondertekening opengesteld. Dit Protocol biedt aan de hoogste nationale gerechten, zoals de Hoge Raad, de mogelijkheid om, alvorens in een aanhangige zaak arrest te wijzen, prejudicieel aan het EHRM advies te vragen (niet bindend) over de uitlegging van het EVRM, in de context van een aanhangige zaak. Het moet in dat kader gaan om principiële vragen ten aanzien van de rechten en vrijheden die in het EVRM en de protocollen zijn vastgelegd. De desbetreffende Nederlandse goedkeuringswet is thans nog in behandeling bij de Eerste Kamer. De A-G stelt voor dat de Hoge Raad de voorliggende vraag, zo mogelijk, prejudicieel zal voorleggen aan het EHRM. Overigens komt het de A-G voor dat het bestreden oordeel van de Rechtbank niet juist is. De eventuele toepassing van de inkeerregeling is, zoals blijkt uit de wettelijke formulering, voorwaardelijk van aard. De toepassing is namelijk afhankelijk van het in feite tot inkeer zijn gekomen, dus van het hebben verricht van de (voltooiende) handeling van de inkeer. Voordien kan een beboetbare belastingplichtige, zoals de onderhavige verzwijgster, volgens de A-G aan geen enkele Nederlandse inkeerregeling enig recht ontlenen. Verder lijkt het de A-G dat het legaliteitsbeginsel als onder meer vervat in artikel 7 EVRM, niet vereist dat de wetgever in wettelijke fase 2 algehele eerbiedigende werking had moeten voorzien voor ‘oude’ (fase 1) verzwijgers die gedurende het van gelding zijn van fase 1 zijn blijven zwijgen. Dezen moeten immers worden geacht te hebben geweten dat zij nog iets moesten doen om aanspraak te kunnen maken op toepassing van de inkeerregeling, namelijk in feite tijdig tot inkeer komen. Waar zij dit hebben nagelaten dient dat, naar de A-G meent, voor hun rekening te blijven. Ten slotte heeft de A-G nog de aandacht gevestigd op een mogelijke reden voor ambtshalve cassatie. Het lijkt namelijk mogelijk dat ten onrechte is nagevorderd en beboet over een langere termijn dan twaalf jaren. Als dat inderdaad zo is, lijkt het de A-G dat de vaststellingsovereenkomst daaraan niet kan afdoen, omdat het legaliteitsbeginsel verbiedt dat enige straf kan worden opgelegd slechts op grond van een overeenkomst, zonder voldoende dekking in de wet.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
