ECLI:NL:PHR:2018:467
Parket bij de Hoge Raad · 26-04-2018 · zaaknummer 17/04329
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/04329. In cassatie is in geschil of artikel 13, paragraaf 5 van het belastingverdrag tussen België en Nederland uit 2001 kan worden toegepast op de situatie van belanghebbende zodat Nederland het heffingsrecht heeft ter zake van het door belanghebbende behaalde vermogensverlies op zijn tbs-vorderingen. Belanghebbende heeft een aanmerkelijk belang in [A] B.V., dat een meerderheidsbelang heeft in [B] B.V. Beide vennootschappen zijn in Nederland gevestigd. Belanghebbende is in 2006 naar België geëmigreerd. Aan hem is een conserverende aanslag inzake zijn aandelen in [A] B.V. opgelegd, waarbij een fictief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. In 2009, derhalve ná de emigratie van belanghebbende naar België, heeft hij twee leningen van in totaal € 140.000 aan [B] B.V. verstrekt. Belanghebbende heeft in 2011 aangifte IB/PVV gedaan als buitenlands belastingplichtige. In deze aangifte heeft hij een belastbaar resultaat aangegeven van € 118.077 negatief. In dat resultaat was onder meer een afwaardering van de leningen ter grootte van € 140.000 begrepen alsmede de daarmee samenhangende afwaardering van de rentevorderingen ter grootte van € 5.156. De Inspecteur heeft het afwaarderingsverlies van € 145.156 niet geaccepteerd. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de afwaardering van zijn tbs-vorderingen niet ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden kan brengen omdat artikel 13, paragraaf 5 Verdrag Nederland-België niet van toepassing is op de situatie van belanghebbende. Paragraaf 5 van artikel 13 Verdrag kan niet worden toegepast omdat zij is gericht op het (fiscale) claimbehoud door Nederland over de waardeaangroei van aandelen in en winstbewijzen van en schuldvorderingen op een in Nederland gevestigde vennootschap die zijn ontstaan in de binnenlandse periode en dus vóór de emigratie van de natuurlijk persoon. De Rechtbank wijst op het noodzakelijke verband tussen de conserverende aanslag en toewijzing van het heffingsrecht aan Nederland. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat Nederland alleen het heffingsrecht heeft ter zake van de vervreemding van een schuldvordering indien een aanslag ter zake van die schuldvordering is opgelegd en van die aanslag ten tijde van de vervreemding nog een bedrag openstaat. Nederland heeft bedoeld heffingsrecht niet indien slechts een conserverende aanslag is opgelegd ter zake van een ander vermogensbestanddeel dan de schuldvordering. Een strikte lezing van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag zou naar het oordeel van de Rechtbank wellicht een andere uitleg toelaten maar uit de context volgt dat het heffingsrecht beperkt is tot de vermogensmutaties die zijn opgetreden tot het moment van emigratie. Belanghebbende heeft met toestemming van de Staatssecretaris van Financiën sprongcassatie ingesteld. De A-G merkt op dat de tbs-vorderingen die belanghebbende in 2011 heeft afgewaardeerd, zijn ontstaan ná de emigratie van belanghebbende naar België. Uit het voorbeeld dat is gegeven door België en Nederland in de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting op de laatste volzin van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag, maakt de A-G op dat het Verdrag (slechts) beoogt dat Nederland het heffingsrecht heeft ter zake van vermogenswinsten die zijn ontstaan in de periode voorafgaand aan de emigratie. Voorts is tijdens de parlementaire behandeling van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag verschillende keren expliciet toegelicht dat het Verdrag beoogt dat Nederland (slechts) het heffingsrecht heeft ter zake van vermogenswinsten die ontstaan zijn in de periode voorafgaand aan de emigratie. Omdat de tbs-vorderingen van belanghebbende pas zijn ontstaan ná zijn emigratie naar België, bestaat volgens de A-G onvoldoende band tussen de tbs-vorderingen en Nederland om het heffingsrecht ter zake aan Nederland toe te wijzen. Deze interpretatie is in overeenstemming met de tekst van de laatste volzin van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag. Uit het verband tussen de laatste volzin van artikel 13, paragraaf 5 Verdrag en de overige tekst van het artikel volgt tevens dat deze interpretatie – die ook in de gezamenlijke toelichting is gegeven – de juiste is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
