Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2018:232

Parket bij de Hoge Raad · 08-03-2018 · zaaknummer 17/04077

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 22-03-2018
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Deelnemingsvrijstelling, liquidatieverliesregeling. Intra-concern voortzetting van de onderneming van deelneming 1 door deelneming 2 (2002), gevolgd door interne verhanging en uiteindelijk vervreemding van deelneming 2 aan een derde (2003), gevolgd door liquidatie van deelneming 1 (2004-2010). Geen misbruik; toch toepassing van de antimisbruikbepaling art. 13d(9)(b)(2e) Wet Vpb (tekst 2010; nu lid 11)? Toetsing verbondenheid van deelneming 2 bij voortzetting (2002) of bij voltooiing van de vereffening van [I]’s vermogen (2010)? Feiten: De belanghebbende heeft zich op de Indonesische verzekeringsmarkt bewogen via haar deelneming [I]. [I] heeft in 2002 bij een reorganisatie een deel van haar bedrijf overgedragen aan de groepsvennootschap [K]. Na interne verhanging van [K] heeft de groep eind 2003 alle aandelen [K] met verlies verkocht aan het niet-gelieerde [CC]. In 2004 is begonnen met de liquidatie van [I], die in 2010 is voltooid. De belanghebbende wil in 2010 fiscaal een liquidatieverlies nemen. In geschil is of art. 13d(9)(b)(2e) Wet Vpb (tekst 2010) meebrengt dat belanghebbendes verbondenheid met [K] in 2002, toen [K] een deel van [I]’s onderneming voortzette, er aan in de weg staat dat de belanghebbende op [I]’s liquidatie een verlies neemt in 2010, toen met [K] geen verbondenheid meer bestond. De Rechtbank Noord-Holland heeft de belanghebbende in het ongelijk gesteld, overwegende dat (i) de liquidatieverliesregeling een uitzondering is op de hoofdregel van de deelnemingsvrijstelling en beperkt moet worden uitgelegd, en (ii) uit de parlementaire geschiedenis valt op te maken dat de verbondenheid tussen de belanghebbende en [K] moet worden beoordeeld ten tijde van de voortzetting door [K] van het bedrijf van [I] (2002). De belanghebbende heeft sprongcassatie ingesteld. A-G Wattel meent dat de term ‘is voortgezet’ in art. 13d(9)(b)(2e) Wet Vpb bij grammaticale interpretatie kan worden uitgelegd als verwijzende naar een tijdpunt in het verleden, waardoor de verbondenheid met het voortzettende lichaam moet worden beoordeeld naar dat moment en niet naar het moment van voltooiing van de liquidatie. De wettekst laat echter ook andere interpretaties toe, zodat de wetsgeschiedenis, het systeem en de ratio van de bepaling en de zinnigheid van de uitkomsten van de verschillende mogelijke interpretaties bezien moeten worden. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever niet wilde dat een liquidatieverlies wordt genomen zolang (een deel van) de onderneming van het ontbonden lichaam binnen het concern voortleeft. Voor dat geval wilde hij aftrek van het liquidatieverlies uitstellen, al dan niet door het op te nemen in het opgeofferde bedrag voor het voortzettende lichaam. Het is weinig rationeel liquidatieverliesneming uit te stellen als de aanleiding voor uitstel (voortzetting binnen het concern) niet bestaat. Het ligt daarom teleologisch meer voor de hand de verbondenheid met het voortzettende lichaam te beoordelen naar het moment van voltooiing van de vereffening, nu dat het moment is waar art. 13d(9) Wet Vpb over gaat en dat het moment pas is waarop het voorwerp van de regeling - het liquidatieverlies en diens eventuele aftrek - pas aan de orde kan komen. Deze uitleg voorkomt niet alleen dat uitstel onbedoeld afstel wordt, zij voorkomt ook dat doorschuiving ertoe leidt dat in beginsel aftrekbare liquidatieverliezen ofwel tussen wal en schip verdwijnen doordat het voortzettende lichaam eerder is ontbonden dan het overdragende lichaam, ofwel juist dubbel in aftrek komen. In casu bestaan geen aanwijzingen van oneigenlijke liquidatieverliesplanning. Niet betwist wordt dat bij [I] definitief verliescompensatiemogelijkheden verloren zijn gegaan. Vast staat voorts dat de voormalige onderneming van [I] ten tijde van de voltooiing van haar vereffening het concern volledig had verlaten en dat toen geen sprake was van prohibitieve verbondenheid. Conclusie: cassatieberoep gegrond. Zelf afdoen.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.