Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2018:200

Parket bij de Hoge Raad · 28-02-2018 · zaaknummer 17/02617

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 14-03-2018
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A. IJzeren voorraadstelsel: (i) Zijn voorinkopen waarvoor de afnameverplichting op balansdatum vast staat maar de op termijn te betalen prijs nog niet (prijsspeculatie à la baisse) aanvaardbaar als (ijzeren) voorraad? In hoeverre is welke soort prijsrisico vereist? (ii) omvang van de technische voorraad bij structurele manco’s; B. Samenhangende waardering (cacaobonen en market makers): (iii) bij cash settlement van dollartermijncontract gerealiseerd verlies afzetten tegen even grote maar ongerealiseerde valutawinst op dollarvorderingen? (iv) staat een pre-hedge valutawinst op de dollarvorderingen balansdatum voldoende vast om fiscaal te moeten verantwoorden? Feiten: A. de belanghebbende had twee dollarvorderingen; één met een looptijd van 1 april 2008 t/m 1 april 2009; een tweede met dezelfde ingangsdatum maar drie latere aflossingsdata. Zij dekte het valutarisico op het totale bedrag van die vorderingen af met periodieke valutatermijn-contracten, die zij door cash settlement afwikkelde. In 2008 heeft zij een dollartermijncontract gesloten lopende van 30 mei 2008 t/m 3 december 2008. Vóór de ingangsdatum was op de vorderingen al een latente valutawinst gemaakt. De belanghebbende heeft bij cash settlement een verlies geleden en daartegenover een latente valutawinst op de vorderingen behaald. Op 3 december 2008 heeft zij een tweede valutatermijncontract voor hetzelfde bedrag gesloten met als vervaldatum 1 april 2009. Zij heeft wel het gerealiseerde settlement-verlies aangegeven, maar niet de ongerealiseerde valutawinst. De Inspecteur meent dat deze tegen elkaar wegvallen, zodat geen verlies genomen kan worden. In beroep heeft hij voorts gesteld dat ook de latente valutawinst van vóór het eerste termijncontract belast moet worden op grond van het realiteitsbeginsel. B. Een gevoegde dochter van de belanghebbende gebruikt aardgas als grondstof. Zij past het ijzeren voorraadstelsel toe. De eerste voorraadschijf is het in haar productieproces aanwezige aardgas (technische voorraad); de tweede bestaat uit haar voorinkopen; basisprijspeil 1999. Tot 2008 kocht zij in tegen vaste prijzen. Vanaf 2008 koopt zij in tegen een mede van de spotmarktprijs afhankelijke variabele prijs om te kunnen profiteren van prijsdalingen. De fiscus vindt de eerste schijf te groot vanwege structurele substantiële manco’s en wil de voorinkopen vanaf 2008 überhaupt niet meer tot de ijzeren voorraad rekenen omdat de belanghebbende vanaf 2008 geen prijsrisico meer loopt. In geschil is principaal of (i) de tweede schrijf geschrapt moet worden; en of (ii) de pre-hedge valutawinst op de lange dollarvordering als vaststaand kan worden aangemerkt. Incidenteel is onder meer in geschil of (i) een ongerealiseerde valutawinst tijdens full hedge en een door cash settlement gerealiseerd verlies gezamenlijk verantwoord moeten worden; of (ii) de pre-hedge valutawinst op de korte dollarvordering als vaststaand kan worden aangemerkt vanaf 3 december 2008 (tweede valutatermijncontract) en los stond van het debiteurenrisico; en of (iii) het Hof de bewijslast ter zake van de omvang van de normale voorraad onjuist heeft verdeeld. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant achtte de verkleining van de normale technische voorraad terecht maar heeft de opheffing van de tweede schijf ijzeren voorraad ongedaan gemaakt. Zij heeft het gerealiseerde dollarsettlementverlies gezamenlijk met de samenhangende ongerealiseerde dollarvorderingenwinst beschouwd, de valutawinst op de korte dollarvordering als vast staand aangemerkt en het valutaresultaat op de lange dollarvordering als onvoldoende vast staand aangemerkt. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft die oordelen vrijwel geheel onderschreven en de motivering ervan grotendeels. A-G Wattel meent ad principaal middel (i) dat speculatie op prijsdaling de noodzakelijkheid van drie productiemaanden voorinkopen op zichzelf niet wegneemt. Het Cacaobonen-arrest suggereert wel dat prijsrisico vereist is in de zin dat de waarde van de afnameverplichting en de prijs uiteen moeten kunnen lopen ten tijde van levering. Door geen vaste prijs overeen te komen, loopt de belanghebbende echter ook een prijsrisico. Dat prijsrisico manifesteert zich volgens de fiscus echter pas ná balansdatum 2008. Het Hof zag niettemin voldoende prijsrisico op de voorinkopen. De A-G meent dat belanghebbendes voorinkopenwaardering in overeenstemming met de bedoeling van het ijzeren voorraadstelsel als effect heeft dat winst gereserveerd wordt om die voorinkopen te kunnen betalen. Als de afnameprijs lager blijkt te zijn dan de marktprijs op balansdatum, heeft de belanghebbende wel in zoverre ten onrechte onbelast winst gereserveerd en heeft de fiscus een punt. Dat deel van de winstreservering zou ongedaan gemaakt moeten worden, maar de gehele tweede schijf schrappen lijkt hem niet terecht, omdat dan schijnwinst wordt belast, hetgeen juist voorkomen moet worden. Hij acht onjuist het standpunt dat alleen bij een vaste prijs voldoende prijsrisico gelopen wordt voor toepassing van het ijzeren voorraadstelsel en betwijfelt zelfs of vereist is dat de voorinkoopcontracten het risico moeten inhouden dat de leveringsprijs afwijkt van de marktprijs op het moment van levering. Hij nodigt de Hoge Raad uit daaromtrent principiële uitspraken te doen. Ad principaal middel (ii) acht de A-G rechtens niet onjuist, noch onvoldoende gemotiveerd ‘s Hofs oordeel dat de pre-hedge latente valutawinst op de lange dollarvordering eind 2008 nog niet definitief vaststond en daarom in 2008 nog niet tot de belastbare winst hoefde te worden gerekend. Ad incidenteel middel (i) leidt A-G Wattel uit de jurisprudentie over samenhangende waardering af dat beslissend is of het op balansdatum 2008 hoogstwaarschijnlijk was dat het verlies op de cash settlement gecompenseerd zou worden door valutawinst op de dollarvorderingen. Hij ziet geen principieel verschil tussen tegengesteld samenhangende beurskoersbewegingen zoals in het Market maker-arrest en tegengesteld samenhangende valutakoersbewegingen. Uitgaande van dit rechtskundig juiste oordeel kon het Hof menen dat belanghebbendes gedragingen duiden op een full hedge tot balansdatum 31 december 2008, zodat gezamenlijke verantwoording aangewezen was. De A-G meent ad principaal middel (ii) dat geringe verhandelbaarheid van een dollarvordering de full hedge niet wegneemt en dat een misgelopen valutawinst als gevolg van mogelijke wanbetaling een debiteurenresultaat is en niet een valutaresultaat. Ad incidenteel middel (iii) meent hij dat het op de weg van de belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat de door haar gestelde voorraadomvang gemiddeld genomen de balans van haar bedrijf nooit verlaat en dat het niet-aanvaarden van de door haar gestelde omvang tot fiscale schijnvoorraadwinst zou leiden. Slaagt zij niet in dat bewijs, dan zal de rechter naar de mening van hem moeten uitgaan van de door de Inspecteur gestelde, met meerjarige gemiddelden onderbouwde omvang omdat hij er anders met het geschil vandoor gaat. Structurele manco’s zijn per definitie niet nodig voor een ongestoord productieproces en een incidentele piek kan geen uitgangspunt zijn voor de bepaling van de structureel benodigde voorraad. Het Hof heeft zich niet op een rechtskundig onjuist uitgangspunt gebaseerd en zijn bewijsoordeel ter zake van het bestaan van de manco’s is niet onbegrijpelijk. Conclusie: beide cassatieberoepen ongegrond.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.