Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2018:1442

Parket bij de Hoge Raad · 31-12-2018 · zaaknummer 18/00480

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 03-01-2019
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

In 2013 behoren bezittingen met een totale waarde van € 157.330, bestaande uit bank- en spaartegoeden en premiedepots, tot de rendementsgrondslag van belanghebbende. Het heffingvrij vermogen bedraagt € 21.139, zodat de grondslag sparen en beleggen in 2014 € 136.191 bedraagt. Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2013 opgelegd naar – voor zover hier van belang – een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.447. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft de Inspecteur ongegrond verklaard. Voor het Hof is – voor zover hier van belang – in geschil of de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2 van de Wet IB 2001 in 2014 op regelniveau dan wel op individueel niveau in strijd is met artikel 1 EP. Het Hof heeft vooropgesteld dat de Hoge Raad in HR BNB 2015/174 en HR BNB 2016/177 heeft geoordeeld dat het stelsel van de vermogensrendementsheffing in strijd is met artikel 1 EP indien het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last. Het Hof heeft deze haalbaarheidstoets zo uitgelegd dat dient te worden gekeken naar de reële rendementen die zijn behaald op risicoarme beleggingen in de periode van 2001 tot 2013. Onder meer op basis van de gegevens zoals vermeld in de het eindrapport van de Commissie Van Dijkhuizen, “Naar een activerender belastingstelsel” (hierna: het eindrapport) acht het Hof aannemelijk dat een reëel rendement van 4% in 2013 niet haalbaar is gebleken. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het verschil tussen het forfaitaire en het reële rendement zodanig is, dat tevens sprake is van een buitensporige last, zodat het Hof komt tot schending van artikel 1 EP op regelniveau. Het Hof ziet zich niet voor de taak gesteld zelf rechtsherstel te bieden. Hiervoor dient een termijn aan de wetgever te worden gegund. Naar het oordeel van het Hof is er, gelet op de totale inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende, geen sprake van schending van artikel 1 EP op individueel niveau. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en twee cassatiemiddelen voorgesteld. De Staatssecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld en één cassatiemiddel voorgesteld. Het eerste cassatiemiddel van belanghebbende is gericht tegen het oordeel van het Hof dat voor de vraag of artikel 1 EP op individueel niveau is geschonden de totale inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende in aanmerking dient te worden genomen. Op basis van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad meent de A-G dat het Hof terecht bij de individuele toets de totale inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende in de beschouwing heeft betrokken. Het eerste cassatiemiddel faalt dus. In het tweede cassatiemiddel stelt belanghebbende dat sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het tweede cassatiemiddel betreft een novum zodat dit middel evenmin tot cassatie kan leiden. De A-G concludeert tot het ongegrond verklaren van het principale beroep in cassatie.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.