Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2018:1438

Parket bij de Hoge Raad · 31-12-2018 · zaaknummer 18/00690

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 03-01-2019
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

De zaak van belanghebbende betreft één van de zes proefprocedures die in het kader van massaal bezwaar gevoerd worden. In het besluit van 26 juni 2015, nr. BLKB 2015/903M, Stcrt. 2015, 18400 heeft de staatssecretaris van Financiën vermeld dat het in het massaal bezwaar gaat om de volgende rechtsvraag: “Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last?” In voornoemd besluit is tevens het volgende opgemerkt: “Het gaat hierbij alleen om de vraag of de box 3 heffing op spaarsaldi zodanig is dat deze op zichzelf gezien in strijd zou komen met artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM. De persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige spelen daarbij geen rol. De aanleiding tot de bezwaarschriften is een oproep van de Bond voor Belastingbetalers om bezwaar te maken tegen het vermeende te hoog vastgestelde forfaitair rendement in box 3 voor het voordeel uit sparen.” De Hoge Raad heeft in HR BNB 2015/174 en HR BNB 2016/177 de volgende toets geformuleerd om te bezien of de forfaitaire vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP: Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last. In elk van de gevoerde proefprocedures, zo ook in het onderhavige geval, is in geschil of bovenstaande toets door het Hof juist is uitgelegd. In het geval van belanghebbende is Hof Amsterdam voor de vraag of het rendement van 4% haalbaar is, uitgegaan van de reële rendementen behaald op lage risico beleggingen (spaarrekeningen, staatsleningen en staatsobligaties) over een lange termijn, waarbij volgens dit gerechtshof voor deze ‘lange termijn’ ten minste moet worden uitgegaan van de periode 2001 tot en met het in geschil zijnde belastingjaar (2014) en bij voorkeur nog aangevuld met gegevens van vóór en na deze periode. Het Hof acht, onder meer gelet op de reële rendementen genoemd in het eindrapport ‘Naar een activerender belastingstelsel’ van de Commissie Van Dijkhuizen, aannemelijk gemaakt dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particulieren niet meer haalbaar is. Tevens acht het Hof aannemelijk gemaakt dat het door de wetgever veronderstelde reële rendement en het over een lange reeks van jaren gerealiseerde rendement zodanig van elkaar afwijken dat op regelniveau sprake is van een buitensporige last. Hof Amsterdam heeft echter geen reden gezien zelf rechtsherstel te bieden. Zoals vermeld in de gemeenschappelijke bijlage is het Hof volgens A-G Ettema ten onrechte bij de haalbaarheidstoets uitgegaan van het reële rendement behaald op lage risico beleggingen. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hebben in principaal beroep in cassatie één cassatiemiddel voorgesteld. Belanghebbende meent dat sprake is van schending van artikel 1 EP, nu het Hof ten onrechte geen rechtsherstel heeft geboden voor de geconstateerde schending van het recht op eigendom in de zin van artikel 1 EP. Dit cassatiemiddel kan volgens A-G Ettema niet slagen. In onderdeel 8 van de gemeenschappelijke bijlage heeft zij uiteengezet dat indien op regelniveau sprake is van een verdragsschending waar verschillende oplossingen voor rechtsherstel denkbaar zijn, dit rechtsherstel aan de wetgever overgelaten dient te worden, en dat er in het geval van schending van artikel 1 EP op regelniveau verschillende oplossingen denkbaar zijn. De Staatssecretaris meent dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2014 op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP. Het principaal beroep van de Staatssecretaris dient volgens A-G Ettema niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu het de Staatssecretaris – mede gelet op HR BNB 2011/25 – aan belang ontbreekt.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.