ECLI:NL:PHR:2018:1436
Parket bij de Hoge Raad · 31-12-2018 · zaaknummer 18/01450
Inhoudsindicatie
In deze zaak staat de vraag centraal of een onderwijsstichting (belanghebbende) en een door haar opgerichte bv die tegen vergoeding onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel aan haar ter beschikking stelt, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen. Meer specifiek is in geschil of sprake is van economische verwevenheid tussen de onderwijsstichting en de bv. In dit kader stelt belanghebende de vraag aan de orde wat de verhouding is tussen het in de jurisprudentie ontwikkelde ‘hoofdzaakcriterium’ (HR BNB 1989/112) en het ‘onderling-niet-verwaarloosbaar-criterium’ (HR BNB 2014/7). Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) oordeelt dat van economische verwevenheid geen sprake is. Volgens het Hof bestaan het hoofdzaakcriterium en het onderling-niet-verwaarloosbaarcriterium naast elkaar en moet van geval tot geval worden beoordeeld aan welk criterium dient te worden getoetst. In dit geval kan naar oordeel van het Hof niet aan het ‘onderling-niet-verwaarloosbaar-criterium’ worden getoetst, omdat sprake is van verticaal gelieerde partijen. Het Hof toetst daarom aan het hoofdzaakcriterium en oordeelt dat daaraan niet is voldaan. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt dat aan beide criteria moet worden getoetst end at aan beide criteria is voldaan. Zij neemt bovendien het standpunt in dat zij op grond van de holdingresolutie als fiscale eenheid met de bv moet worden aangemerkt. De mogelijkheid tot vorming van de fiscale eenheid vloeit voort uit artikel 11 Btw-richtlijn, waarin is bepaald dat personen die juridisch gezien zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in Larentia + Minerva duidelijk geoordeeld dat lidstaten die de mogelijkheid tot vorming van een fiscale eenheid in hun nationale wetgeving opnemen, bepalingen moeten vaststellen om de voorwaarde ‘financieel, economisch, en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn’ in te vullen. De A-G merkt op dat de Nederlandse wetgever de mogelijkheid tot vorming van een fiscale eenheid in artikel 7(4) Wet OB heeft geïmplementeerd, maar tot nu toe niet aan de plicht heeft voldaan om de ‘verwevenheidsvereisten’ in te vullen. Tot nu toe heeft de Hoge Raad het tot zijn taak gerekend in die leemte te voorzien en zelf regels te geven, doch deze situatie is naar de mening van de A-G verre van ideaal. De rechtszekerheid verzet zich er immers tegen dat belastingplichtigen moeten wachten totdat de Hoge Raad in hun specifieke geval oordeelt of aan de verwevenheidsvereisten is voldaan. De A-G pleit er daarom voor dat de wetgever met passende wetgeving komt. Uit HR BNB 2014/7 leidt de A-G af dat belanghebbende terecht opmerkt dat het ‘onderling-niet-verwaarloosbaar-criterium’ is bedoeld als aanvulling op het hoofdzaakcriterium. Anders dan belanghebbende aanneemt zijn de omstandigheden van haar geval echter niet gelijk aan de omstandigheden van het geval waarover de Hoge Raad in dat arrest oordeelde. De A-G ziet echter niet in waarom in het onderhavige geval geen sprake zou zijn van onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen. Zij geeft de Hoge Raad daarom in overweging te oordelen dat ook in dit concrete geval sprake is van economische verwevenheid. Voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat in dit geval niet aan het ‘onderling-niet-verwaarloosbaar-criterium’ is voldaan bepleit zij een ruime uitleg van het begrip ‘verwezenlijking van een zelfde economisch doel’ als bedoeld in HR BNB 1991/270. De vraag of belanghebbende zich in hoger beroep expliciet op de toepassing van de holdingresolutie had moeten beroepen, of dat het Hof ambtshalve had moeten toetsen of de holdingresolutie van toepassing is, daargelaten, kan een beroep op de holdingresolutie belanghebbende volgens de A-G niet baten. De holdingresolutie is namelijk een buitenwettelijke regeling die geldt voor ‘zuivere holdingvennootschappen’, oftewel niet-ondernemers. Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende ondernemer is als bedoeld in artikel 7(1) Wet OB. Dit brengt mee dat de onderhavige situatie buiten het toepassingsbereik van de holdingresolutie valt. De A-G concludeert tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
