ECLI:NL:PHR:2018:1396
Parket bij de Hoge Raad · 18-12-2018 · zaaknummer 18/00350
Inhoudsindicatie
Als een ondernemer goederen en diensten aanschaft en deze gebruikt voor zowel belaste handelingen als handelingen die buiten het bereik van de omzetbelasting vallen omdat daarvoor geen vergoeding wordt gevraagd, rijst de vraag of en in hoeverre recht op aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting bestaat. In deze conclusie onderzoekt A-G Ettema of in Nederland een wettelijke regeling is getroffen voor deze situatie en zo dit niet het geval is, op welke wijze de omvang van de aftrek dan moet worden bepaald. Belanghebbende is eigenaar en exploitant van een aantal sportzalen. Deze sportzalen stelt zij enerzijds om niet ter beschikking aan basisscholen voor de gymles. Anderzijds stelt zij de sportzalen tegen vergoeding ter beschikking aan sportverenigingen en scholen voor voortgezet onderwijs. De eerste activiteit valt buiten het bereik van de omzetbelasting, de tweede is belast met omzetbelasting. In haar aangifte voor december 2014 heeft belanghebbende de aftrek van omzetbelasting op kosten die betrekking hebben op de exploitatie van de sportzalen bepaald door uit te gaan van de verhouding tussen het aantal uren dat de sportzalen gebruikt worden voor belaste handelingen (belast gebruik) en het totaal aantal daadwerkelijke gebruiksuren. In bezwaar meent belanghebbende recht te hebben op een hogere aftrek. Zij stelt dat bij de aftrek tevens rekening moet worden gehouden met de uren waarin de sportzalen niet worden gebruikt en dat deze uren als belast gebruik moeten worden aangemerkt. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. Daartegen heeft belanghebbende beroep ingesteld. Zowel de Rechtbank als het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld. Het Hof heeft vastgesteld dat in Nederland geen wettelijke regels zijn gesteld voor het bepalen van de omvang van de aftrek in het onderhavige geval. Het Hof ziet zich voor de taak gesteld een op de situatie van belanghebbende toegesneden oplossing te vinden. Naar het oordeel van het Hof is de verhouding tussen het daadwerkelijk aantal uren belaste verhuur en het totale aantal uren daadwerkelijk gebruik een nauwkeurig en objectief criterium voor het bepalen van de omvang van het aftrekrecht. Belanghebbende is bij haar aangifte uitgegaan van de juiste methode, aldus het Hof. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij één cassatiemiddel voorgesteld. Het middel betoogt dat het niet-aftrekbare deel van de omzetbelasting moet worden bepaald op basis van de bestemming van alle beschikbare gebruiksuren en niet aan de hand van de werkelijke gebruiksuren. In artikel 15, lid 6, Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang gelezen met artikel 11 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 is een regeling opgenomen voor de aftrek van omzetbelasting in het geval een ondernemer goederen en diensten heeft aangeschaft en deze zowel gebruikt voor belaste handelingen als voor andere handelingen. Hoewel de tekst van de wet enige ruimte biedt voor de uitleg dat deze bepaling mede ziet op de aftrek voor de situatie van gemengd gebruik voor belaste handelingen en handelingen die buiten het bereik van de omzetbelasting vallen, meent de A-G dat deze bepalingen niet zodanig moeten worden uitgelegd. Net als de Btw-richtlijn kent de Nederlandse wet geen regels voor de aftrek in deze gevallen. Het is de taak van de rechter om hiervoor een oplossing te bieden. De rechter moet volgens de A-G aansluiten bij de nationale regels die gelden voor gemengd gebruik bij belaste en vrijgestelde handelingen. Dit betekent dat in de eerste plaats de omzetverhouding het aftrekrecht bepaalt en, als dit tot een nauwkeuriger resultaat leidt, het werkelijk gebruik van de goederen en diensten. Aangezien belanghebbende met het ter beschikking stellen van de sportzalen aan de basisscholen geen omzet behaalt, moet in haar geval het werkelijk gebruik als maatstaf worden gehanteerd. De verhouding tussen het aantal uren waarin de sportzalen belast worden gebruikt en het totaal aantal werkelijke gebruiksuren is daarvoor een geschikte methode. Anders dan belanghebbende is de A-G van mening dat de uren waarin de sportzalen niet ter beschikking worden gesteld, niet worden aangemerkt als uren waarin de sportzalen belast worden gebruikt. Het middel faalt en de A-G concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie. Aangezien op dit moment een zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) aanhangig is over een vergelijkbare kwestie, de zaak Związek Gmin Zagłębia Miedziowego, geeft de A-G de Hoge Raad in overweging het arrest van het HvJ af te wachten alvorens uitspraak te doen in deze zaak
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
