ECLI:NL:PHR:2018:1290
Parket bij de Hoge Raad · 15-11-2018 · zaaknummer 18/00472
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 december 2017, nr. 17/00736. Op 25 juni 2016 heeft de Heffingsambtenaar bij een controle in Delft geconstateerd dat ten aanzien van een auto van de kentekenhouder (niet zijnde belanghebbende) de verschuldigde parkeerbelasting niet is betaald. Daarom is aan hem een naheffingsaanslag van € 89 opgelegd. Het aan hem toegezonden duplicaat van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is gedagtekend 14 juli 2016. In de onderhavige procedure komt belanghebbende kennelijk, in haar visie, als feitelijke parkeerster van de auto tegen deze naheffingsaanslag op. In het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaarschrift van 8 augustus 2016 maakt haar gemachtigde overigens geen melding van die hoedanigheid. In het bezwaarschrift wordt inhoudelijk het standpunt ingenomen dat geen sprake zou zijn geweest van parkeren in de zin van de Gemeentewet, nu ‘het voertuig niet op een fiscale parkeerplek stond omdat er sprake was van strijd met een wettelijk voorschrift’. Bij brief van 7 september 2016 heeft de Heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende bericht dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan de kentekenhouder en is aan de gemachtigde verzocht om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder in de procedure op te treden. Tevens is de gemachtigde verzocht om voor 21 september 2016 een nadere motivering van het bezwaar in te dienen. De gemachtigde heeft niet gereageerd, waarna de Heffingsambtenaar bij brief van 5 oktober 2016 opnieuw om een machtiging en een reden voor termijnoverschrijding heeft gevraagd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar bericht voornemens te zijn het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als binnen de gestelde termijn geen juiste machtiging en reden voor de termijnoverschrijding mocht worden ontvangen. Bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2016 heeft de Heffingsambtenaar om reden van het niet overleggen van een juiste machtiging het bezwaar ‘kennelijk niet-ontvankelijk’ verklaard, met mededeling dat daarom van horen wordt afgezien. In beroep heeft de Rechtbank overwogen dat op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan de kentekenhouder is opgelegd, dat aan de gemachtigde is verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder op te treden en dat deze machtiging niet is ontvangen. Volgens de Rechtbank lag het op de weg van belanghebbende om in het bezwaarschrift of op enig later moment in de bezwaarfase toe te lichten waarom zij bevoegd was om bezwaar te maken en dat daar (gelet op de brieven van de Heffingsambtenaar van 7 september 2016 en 5 oktober 2016) voldoende gelegenheid voor gegeven is. Dat pas in beroep de, door de Heffingsambtenaar betwiste, stelling is ingenomen dat belanghebbende als bestuurster het voertuig heeft geparkeerd, kan volgens de Rechtbank niet tot het oordeel leiden dat zij bevoegd was om bezwaar te maken tegen de aan opgelegde naheffingsaanslag. Volgens de Rechtbank blijkt uit niets dat belanghebbende als bestuurder heeft geparkeerd. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank onderschreven, met de toevoeging dat weliswaar uit de gedingstukken naar voren komt dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen, maar dat er verder geen enkel bewijs aanwezig is voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd. In cassatie voert belanghebbende aan dat zij aan het verzoek van de Heffingsambtenaar om een machtiging van de kentekenhouder over te leggen niet heeft voldaan omdat het bezwaar was ingesteld namens haar en niet namens de kentekenhouder. Het bezwaar acht zij aldus ontvankelijk. Voorts klaagt belanghebbende dat het op de weg van de Heffingsambtenaar had gelegen om een toelichting te vragen aan de gemachtigde waarom namens belanghebbende en niet namens de kentekenhouder bezwaar was gemaakt. Het komt de A-G voor dat het beroep in cassatie van belanghebbende in wezen ziet op bewijsoordelen van de Rechtbank (‘uit niets blijkt dat eiseres als bestuurder heeft geparkeerd’) en het Hof (‘maar dat uit de gedingstukken verder geen enkel bewijs is te putten voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd’). Bij betwisting geldt als uitgangspunt: ‘wie stelt die moet bewijzen’. Belanghebbende had ten aanzien van de vraag of zij de feitelijke parkeerster was bijvoorbeeld aan de bewijslevering (aannemelijk maken) kunnen voldoen door een verklaring over te leggen van de kentekenhouder dat zij inderdaad op 25 juni 2016 de auto heeft gebruikt, en/of door zelf een gemotiveerde verklaring daarover over te leggen of mondeling te geven ter zitting. Echter, dit alles ontbreekt en noch belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen ter zitting. Belanghebbendes klachten in cassatie zien vooral op de eenzijdige, formele benadering door de Heffingsambtenaar. De Heffingsambtenaar lijkt namelijk vooral te zijn gefixeerd op de vraag of er wel een juiste machtiging is afgegeven door de kentekenhouder en gaat in de bezwaarfase niet in op de mogelijkheid dat ook een feitelijke parkeerder het recht heeft om een bezwaarschrift in te dienen. Dat had naar volgens de A-G zorgvuldiger gekund, maar van een (afdwingbare) onderzoeksplicht op de heffingsambtenaar is hier, naar de A-G meent, geen sprake. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
