Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2017:645

Parket bij de Hoge Raad · 28-06-2017 · zaaknummer 16/06097

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 12-07-2017
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belanghebbende dreef als ondernemer een interieurwinkel. Daarnaast stond belanghebbende op bepaalde markten, op vaste standplaatsen. Daarmee heeft belanghebbende winst uit onderneming behaald. De verkoop werd, althans grotendeels, contant afgerekend. Belanghebbende heeft op 26 juli 2004 een bedrag van € 49.950, op 28 februari 2006 een bedrag van € 150.000 en op 26 februari 2007 een bedrag van € 170.000, in contanten gestort op zijn in Luxemburg gehouden bankrekeningen. Belanghebbende heeft, als zogenoemde inkeerder, op 3 februari 2014, de eerder verzwegen Luxemburgse bankrekeningen gemeld bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft in 2015 aan belanghebbende over de jaren 2004, 2006 en 2007 navorderingsaanslagen opgelegd. Het in deze navorderingsaanslagen in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) bedraagt, wegens meerdere winsten uit onderneming, voor het jaar 2004 € 88.813, voor het jaar 2006 € 184.353 en voor het jaar 2007 € 193.080. Bij de Rechtbank was in geschil of de Inspecteur terecht de stortingen heeft aangemerkt als inkomen uit werk en woning (box 1) waarover kan worden nagevorderd. De materiële omvang van de in de navorderingsaanslagen begrepen correcties inzake meer inkomen uit sparen en beleggen (box 3), zijn niet in geschil. Meer in het bijzonder is in geschil of ten aanzien van de meerdere gebleken winsten uit onderneming, de verlengde navorderingstermijn, van twaalf jaren, als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR van toepassing is. Alleen dan kon de Inspecteur in 2015 nog navorderen over de in 2014 bekend geworden meerdere inkomsten uit werk en woning (box 1) in de jaren 2004, 2006 en 2007. De Rechtbank heeft, bij uitspraak van 10 november 2016, geoordeeld dat uit de wettekst en wetsgeschiedenis van artikel 16, vierde lid, van de AWR blijkt dat het hierin gehanteerde begrip ‘houden’ ziet op vermogensbestanddelen (box 3) en het begrip ‘opkomen’ op inkomensbestanddelen (box 1). De Rechtbank heeft bij wege van maatstaf overwogen niet in te zien dat in Nederland opgekomen inkomsten die worden gestort op een buitenlandse bankrekening, voor de toepassing van de onderhavige bepaling moeten worden gezien als in het buitenland opgekomen (of gehouden) inkomensbestanddelen. De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat de Inspecteur, ook al dient de bewijslast volgens de Rechtbank te worden omgekeerd, geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor zijn stelling dat de stortingen hun oorsprong vinden in buitenlandse inkomsten uit een andere bron van inkomen dan de binnenlandse onderneming van belanghebbende. De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard. De Staatssecretaris komt thans in (sprong)cassatie op tegen het oordeel van de Rechtbank. In zijn middel verzet de Staatssecretaris zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verlengde navorderingstermijn niet kan worden toegepast op de verzwegen inkomsten, die op de buitenlandse bankrekening zijn gestort, omdat geen sprake is van in het buitenland opgekomen dan wel in het buitenland aangehouden voorwerp van de belasting. Belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld gericht tegen de door de Rechtbank toegepaste omkering van de bewijslast. Volgens de A-G staan de ratio en de wetsgeschiedenis alsmede de jurisprudentie eraan in de weg om de verlengde navorderingstermijn toe te passen op binnenlandse inkomensbestanddelen die binnen het controlebereik van de Nederlandse fiscus vallen, althans vielen, maar waarvan de opbrengsten op enig moment naar het buitenland zijn overgebracht. De Belastingdienst heeft jarenlang de gelegenheid gehad om de onderneming van belanghebbende door te lichten (administratieve verantwoording, inkoopcontrole, vermogensvergelijking, bedrijfsvergelijking etc.). Het lijkt de A-G, op de gebruikelijke wijze, mogelijk dat daarbij aan het licht was gekomen dat belanghebbende jarenlang contant genoten winsten niet heeft aangegeven. Het komt de A-G voor dat de aanknopingspunten voor het instellen van een dergelijke binnenlandse controle, niet aan het zicht van de Inspecteur zijn onttrokken door de omstandigheid dat belanghebbende de verzamelde stapels bankbiljetten op een Luxemburgse bankrekening heeft gestort. Het middel van de Staatssecretaris faalt. In verband daarmee behoeft het voorwaardelijke ingestelde incidentele middel van belanghebbende geen verdere behandeling. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.