ECLI:NL:PHR:2017:566
Parket bij de Hoge Raad · 15-06-2017 · zaaknummer 16/05277
Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 16/05277. In cassatie is in geschil of de door belanghebbende verstrekte ‘tbs-lening’ van € 200.000 onzakelijk is en daarmee of belanghebbende een (afwaarderings)verlies op die lening van € 176.000 ten laste van zijn inkomen uit werk en woning mag brengen. In cassatie is in geschil of de door belanghebbende verstrekte lening van € 200.000 aan M-BV Belanghebbende is indirect houder van alle aandelen M-BV. Op haar beurt hield M-BV tot 1 juli 2005 50% van de aandelen in A-Holding. Op 1 juli 2005 heeft M-BV de resterende 50% van de aandelen in A-Holding verkregen voor een koopsom van € 200.000. Dit bedrag heeft M-BV geleend van belanghebbende, die op zijn beurt dit bedrag heeft geleend van een onafhankelijke derde, [F]. Nadat A-Holding op 25 juni 2008 failliet is verklaard, heeft belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV 2010 een verlies van € 176.000 ter zake van de aan M-BV verstrekte lening in mindering gebracht op zijn belastbare inkomen uit werk en woning. Dit verlies heeft de Inspecteur bij de aanslag niet in aanmerking genomen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op het hoger beroep van de Inspecteur geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende bij het verstrekken van de geldlening in 2005 een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijke derde onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden niet zou hebben aanvaard. Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat geldverstrekker [F] wetenschap had dat de geldlening (ter grootte van € 200.000) uiteindelijk bestemd was voor M-BV en [F] tevens op de hoogte was van de financiële positie waarin M-BV en A-Holding verkeerden. [F] was volgens het Hof te beschouwen als een onafhankelijke, zelfstandige en kundige derde die heeft getoetst of het verantwoord was een bedrag van € 200.000 te lenen met het hem bekende doel. Het Hof heeft bij het oordeel ook belang toegekend aan een te verwachten opdracht voor A-Holding in België, evenals de (door de Inspecteur onweersproken) stelling van belanghebbende dat de verkrijging van de resterende 50% van de aandelen in A-Holding tegen een zakelijke prijs is geschied (daarbij acht het Hof aannemelijk dat [F] daarvan wetenschap had en dit niet bezwaarlijk achtte). Voorts heeft het Hof ook gewezen op een aanzienlijke omzetstijging in 2005 ten opzichte van het jaar 2004. Gelet op het voorgaande, oordeelde het Hof dat de Inspecteur niet is geslaagd in het te verlangen bewijs dat de lening een onzakelijk karakter draagt. Hieraan kon volgens het Hof niet afdoen dat “belanghebbende geen zekerheden heeft verlangd van M-BV”, nu immers vaststaat “dat eventuele zekerheden, als deze anno 2005 zouden zijn gesteld, geen grote waarde hadden”. In cassatie betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte (dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen) heeft geoordeeld dat geen sprake is van een onzakelijke lening en daarmee geen belang eraan heeft toegekend dat belanghebbende met M-BV (anders dan [F] met belanghebbende) geen noemenswaardige zekerheden is overeengekomen. A-G Niessen merkt op dat het aankomt op de vraag of bij het verstrekken van de geldlening van belanghebbende aan M-BV een debiteurenrisico is genomen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Bij deze toets spelen alle feiten en omstandigheden van het geval een rol. Hierbij merkt de A-G op dat het Hof (met de Rechtbank) – kennelijk wegens de omstandigheden van het onderhavige geval, waarin niet een derde een lening aan M-BV heeft versterkt zodat een directe vergelijking niet mogelijk is – op basis van de condities waaronder [F] een lening aan belanghebbende verstrekte heeft onderzocht of de lening van belanghebbende aan M-BV al dan niet onzakelijk was. Die keuze getuigt zijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is overigens voorbehouden aan de feitenrechter. Volgens de A-G heeft het Hof vastgesteld dat het door [F] van belanghebbende bedongen pand- en hypotheekrecht nimmer is gevestigd. Klaarblijkelijk heeft het Hof, dat in de r.o. 4.5 t/m 4.7 niet ingaat op het pand- en hypotheekrecht, uit het ontbreken van die zekerheden afgeleid dat [F]bereid is geweest de lening te verstrekken zonder de betreffende zekerheidsrechten daadwerkelijk te verlangen. Uit dit feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof volgt, aldus de A-G, dat het argument van de Staatssecretaris dat de gestelde zekerheden een relevant verschil uitmaken tussen de door [F] verstrekte ‘eerste’ lening en de lening welke belanghebbende zelf verstrekte, feitelijke grondslag ontbeert. Derhalve staat zijns inziens niets meer in de weg aan het oordeel dat door de Inspecteur niet aannemelijk is gemaakt dat bij het verstrekken van de geldlening in 2005 een debiteurenrisico is aanvaard dat een onafhankelijke derde ([F] dus) – onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden – niet zou hebben aanvaard. Mede gelet op de overige vastgestelde feiten en omstandigheden (de te verwachten opdracht en de omzetstijging) kon het Hof aldus de A-G redelijkerwijs besluiten dat de lening tussen belanghebbende en M-BV niet onzakelijk was. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond moet worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
