Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2017:1350

Parket bij de Hoge Raad · 05-12-2017 · zaaknummer 17/00785

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 13-12-2017
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Sinds 1 juli 2016 is beroep in cassatie mogelijk bij de Hoge Raad tegen uitspraken in belastingzaken van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (GHvJ). Dit is de eerste belastingzaak van het GHvJ die is geselecteerd voor het nemen van een conclusie. Net als de Europese Unie kent Aruba een vrijstelling van rechten van invoer voor goederen die, behorend tot een verhuisboedel, worden ingevoerd door een persoon die zijn normale verblijfplaats vanuit het buitenland overbrengt naar Aruba (de verhuisboedelvrijstelling). In de onderhavige zaak staat die vrijstellingsbepaling centraal. Over deze vrijstellingsbepaling wordt op de (voormalige onderdelen van) de Nederlandse Antillen opvallend veel geprocedeerd, vooral waar het om personenauto’s gaat. Dat zal verband houden met de hoogte van het tarief van het invoerrecht, dat in het onderhavige geval 30% bedraagt. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn in juli 2011 vanuit Canada naar Aruba verhuisd en hebben daarbij een auto meegenomen en ingevoerd. De auto stond vanaf het moment van aanschaf (oktober 2010) tot begin mei 2011 in een opslag in Canada en is eind juli 2011 verscheept naar Aruba. In geschil is of de verhuisboedelvrijstelling geldt voor de invoer van de auto en meer specifiek of is voldaan aan de voorwaarde dat belanghebbende de auto ten minste zes maanden vóór de datum waarop hij zijn normale verblijfplaats in Canada heeft opgegeven, in die plaats heeft gebruikt. Zowel het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) als het GHvJ oordeelt dat belanghebbende niet voldoet aan de vereisten voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling. Belanghebbende betoogt dat het GHvJ daarbij een onjuiste maatstaf heeft aangelegd dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling is vereist dat de auto, behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Canada heeft opgegeven, in bezit en in eigendom is geweest en in zijn vroegere normale verblijfplaats (Canada) is gebruikt. Uit vaste lokale rechtspraak volgt dat van ‘gebruikt’ in de zin van de vrijstellingsbepaling sprake is indien een belastingplichtige, ter bevrediging van zijn behoefte aan een motorvoertuig, gedurende de voorgeschreven periode van zes maanden zich bij voortduring of herhaling van het motorvoertuig heeft bediend. Opvallend is dat noch het GEA noch het GHvJ in de onderhavige zaak naar dit ‘vaste criterium’ verwijst. Het GHvJ neemt bij zijn oordeel in aanmerking dat de auto niet was verzekerd voor gebruik op de weg, hetgeen belanghebbende bestrijdt. Bovendien is eventueel incidenteel gebruik volgens het GHvJ niet voldoende. In deze conclusie bespreekt de A-G, naast de lokale rechtspraak, de douanewetgeving van de Europese Unie, de Nederlandse belastingwetgeving en de rechtspraak waarin het begrip ‘gebruikt’ een rol speelt. Daaruit volgt dat op verschillende manieren uitleg kan worden gegeven aan dat begrip. De Hoge Raad heeft nog geen duidelijke lijn uitgezet die voor de onderhavige zaak (één-op-één) van belang kan zijn. Omdat de onderhavige vrijstellingsbepaling verlangt dat het gebruik gedurende zes maanden plaatsvindt, heeft de definitie uit de lokale rechtspraak de voorkeur van de A-G. Door de woorden ‘bij voortduring of herhaling’ in deze definitie komt namelijk beter (dan in de rechtspraak van de Hoge Raad over aanverwante wetgeving) tot uitdrukking dat sprake is van een doorlopende toets. De A-G adviseert de Hoge Raad dan ook, mede omwille van de rechtszekerheid, bij deze definitie aan te sluiten. Bij de beoordeling van de cassatiemiddelen van belanghebbende neemt de A-G deze definitie als uitgangspunt. Dat het GHvJ het al dan niet verzekerd zijn meeweegt in zijn beoordeling of de personenauto is ‘gebruikt’, getuigt volgens de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daarom faalt het eerste cassatiemiddel. De in zijn tweede cassatiemiddel vervatte klacht dat sprake is van een ‘ontoelaatbare verrassingsbeslissing’ van het GHvJ slaagt volgens de A-G evenmin. Belanghebbendes derde cassatiemiddel mist doel omdat uit de gedingstukken niet blijkt dat belanghebbende het GHvJ heeft aangeboden ter zake van de verzekering en/of wegenbelasting (nader) bewijs te leveren. In het oordeel van het GHvJ ligt volgens de A-G besloten dat belanghebbende zich niet ter bevrediging van zijn behoefte aan een auto gedurende de zesmaandentermijn bij voortduring of bij herhaling van de auto heeft bediend. Dat oordeel getuigt volgens de A-G niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is voorts voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het vierde en vijfde cassatiemiddel falen daarom ook. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.