ECLI:NL:PHR:2017:1216
Parket bij de Hoge Raad · 19-10-2017 · zaaknummer 16/05180
Inhoudsindicatie
Ingevolge artikel 11, lid 1, onderdeel b, sub 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) is de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen uitgezonderd van de vrijstelling voor verhuur van onroerend goed. In beginsel zijn lig- en berggelden dus onderworpen aan het gewone omzetbelastingtarief van 21%. In deze procedure staat de vraag centraal of de terbeschikkingstelling van een ligplaats in een jachthaven met gemeenschappelijke jachthavenfaciliteiten kan worden aangemerkt als ‘het geven van gelegenheid tot sportbeoefening’ in de zin van Tabel I, post b.3, behorende bij de Wet OB dan wel als ‘het recht gebruik te maken van sportaccommodaties’ in de zin van Bijlage III, punt 14, bij de Btw-richtlijn, zodat zij aan het verlaagde omzetbelastingtarief zijn onderworpen. Rechtbank Noord-Nederland (de Rechtbank) oordeelt dat de jachthaven op zichzelf als een sportaccommodatie kan worden aangemerkt, maar dat de dienstverlening van belanghebbende niet, althans onvoldoende, verband houdt met de eigenlijke sportbeoefening. De diensten van belanghebbende houden niet meer in dan het passief ter beschikking stellen van ligplaatsen in een jachthaven. Daarop is het verlaagde omzetbelastingtarief niet van toepassing, aldus de Rechtbank. Hof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) oordeelt ook dat het verlaagde omzetbelastingtarief niet van toepassing is, maar op andere gronden dan de Rechtbank. Het Hof oordeelt dat de verhuur van de ligplaatsen in de jachthaven niet is aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onder terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie, maar als de verhuur van parkeerruimte voor boten. De eerste drie cassatiemiddelen van belanghebbende bestrijden het oordeel van het Hof dat geen sprake is van het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de zin van de tabelpost, voor zover belanghebbendes dienstverlening ziet op zeilboten en snelle motorboten. Met zijn vierde cassatiemiddel betoogt belanghebbende dat het Hof artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn heeft geschonden door niet ambtshalve – na behandeling van het geschil omtrent het tarief – de zogenoemde ‘sportvrijstelling’ van artikel 11, lid 1, onderdeel e, van de Wet OB van toepassing te verklaren op de terbeschikkingstelling van ligplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken wel geschikt zijn voor sportbeoefening. Dit laatste middel wordt, zo begrijpt de A-G, subsidiair voorgesteld, voor het geval het verlaagde tarief niet van toepassing is. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), in het bijzonder Commissie/Nederland, leidt de A-G af dat de onderhavige dienst als een enkele (niet-samengestelde) dienst moet worden beschouwd. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt voorts dat onder het begrip ‘recht gebruik te maken van sportaccommodaties’ het recht moet worden verstaan “accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding zijn bestemd, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen” (zie punt 65 van Baštová). Deze uitleg brengt mee dat enkel diensten die verband houden met het gebruik van accommodaties die nodig zijn voor de beoefening van sport onder punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn kunnen vallen (vgl. punt 66 van Baštová). De onderhavige terbeschikkingstelling van een ligplaats in een jachthaven met de bijbehorende gemeenschappelijke jachthavenfaciliteiten is volgens de A-G een dienst die verband houdt met het gebruik van een accommodatie die nodig is voor de sportbeoefening, voor zover het gaat om een vaartuig dat wegens zijn objectieve kenmerken geschikt is voor de beoefening van sport. De A-G concludeert dat ’s Hofs andersluidende oordeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. De eerste drie cassatiemiddelen slagen. Ten overvloede merkt de A-G op dat het Hof naar haar mening artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn niet heeft geschonden door de zogenoemde sportvrijstelling niet ambtshalve van toepassing te verklaren op de terbeschikkingstelling van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken geschikt zijn voor sportbeoefening. Het vierde cassatiemiddel treft dus geen doel. De rechtsvraag die in de onderhavige zaak centraal staat, is ook aan de orde is in de bij de Hoge Raad aanhangige zaken, bekend onder rolnummers 17/03956, 17/03958 en 17/04452. In die zaken heeft belanghebbende cassatie ingesteld tegen twee uitspraken van hof Amsterdam en een uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
