Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2017:1040

Parket bij de Hoge Raad · 25-09-2017 · zaaknummer 17/00879

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 10-10-2017
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Voor bijlage zie ECLI:NL:PHR:2017:1081. A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2017, nr. 16/00695. Deze procedure maakt deel uit van een cluster van zeven verwante zaken waarin vandaag conclusie wordt genomen. Bij die conclusies behoort een gemeenschappelijke bijlage. Alle zaken hebben gemeen dat zij, op enigerlei wijze, (onder meer) zien op de vraag of bepaalde fysieke stukken of computerbestanden, zijn aan te merken als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. In deze procedure is met name aan de orde of onderliggende taxatiedossiers van de Belastingdienst en schermprints van WOZ-beschikkingen, door de Inspecteur moeten worden overgelegd als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Belanghebbende was in 2010 (indirect) de enige aandeelhouder van een groep van vennootschappen, gevestigd in binnen- en buitenland. De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2010 afgeweken van de aangifte. In dit kader heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat terzake van de terbeschikkingstelling van kantoorruimte aan een groepsvennootschap in box 1 een resultaat in aanmerking moet worden genomen. Na vergeefs bezwaar was in beroep bij de Rechtbank één van de in geschil zijnde correcties de waarde van door belanghebbende aan de groepsvennootschap verhuurde onroerende zaken. Die correctie was deels gebaseerd op taxaties van taxateurs van de Belastingdienst. Tussen partijen was in geschil of de interne taxatiedossiers van de Belastingdienst tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en zo ja, welke gevolgen de Rechtbank moet verbinden aan het niet overleggen daarvan door de Inspecteur. In hoger beroep heeft het Hof hieromtrent geoordeeld dat de Inspecteur de desbetreffende taxatiedossiers eerst in de beroepsfase heeft opgevraagd, dat deze dossiers ten grondslag hebben gelegen aan de taxatierapporten die bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld, dat de taxatiedossiers de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag en de uitspraken op bezwaar echter niet ter beschikking hebben gestaan en derhalve geen rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming. Het Hof heeft dan ook geoordeeld dat de Inspecteur deze dossiers niet op grond van artikel 8:42 Awb behoefde over te leggen. Belanghebbende komt thans, onder aanvoering van vier middelen van cassatie, op tegen de Hofuitspraak. In het eerste middel betoogt belanghebbende dat sprake is van schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:42 van de Awb en in het algemeen van de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in r.o. 4.1 tot en met 4.7 heeft geoordeeld dat de taxatiedossiers van de Belastingdienst en schermprints van WOZ-beschikkingen niet door de inspecteur op grond van artikel 8:42 van de Awb behoeven te worden overgelegd. De A-G meent dat er ook sprake kan zijn van een door de inspecteur over te leggen op de zaak betrekking hebbend stuk, indien een belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk indirect een rol kan hebben gespeeld bij de eerdere besluitvorming van de inspecteur, vanaf de aanslagoplegging tot en met de uitspraak op bezwaar. In casu heeft de Inspecteur pas na de bezwaarfase bij een ander organisatieonderdeel van de Belastingdienst de taxatiedossiers opgevraagd en verkregen. Het is zo dat deze taxatiedossiers ten grondslag hebben gelegen aan de taxatierapporten, terwijl niet in geschil is dat de taxatierapporten bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld en zijn overgelegd. Onder deze omstandigheden meent de A-G dat de achterliggende taxatiedossiers mede moeten worden gerekend tot ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’. Het lijkt immers bepaald mogelijk dat een taxatiedossier gegevens bevat die doorwerken in het door de Inspecteur bij zijn beslissing gebruikte taxatierapport. Overigens is de A-G van mening dat onjuist is ’s Hofs oordeel dat overlegging van de schermprints niet aan de orde is omdat belanghebbende als eigenaar van de panden zelf beschikt over deze WOZ-beschikkingen en derhalve zelf in staat is de door de Inspecteur gehanteerde waarden te controleren, zodat de Inspecteur niet gehouden is schermprints van de door gemeenten aangeleverde digitale bestanden over te leggen. Indien het digitale bestand bij de besluitvorming van de inspecteur een rol heeft gespeeld, dan wel indien (een belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat) het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, is sprake van een ‘op de zaak betrekking hebbend stuk’ als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Nu niet in geschil is dat de Inspecteur over schermprints beschikt (en belanghebbende concreet om schermprints heeft gevraagd), meent de A-G dat die moeten worden overgelegd. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel ziet op de door het Hof vastgestelde waarde van bedrijfspanden. Het derde en het vierde middel op de door het Hof vastgestelde zwakke vermogenspositie van bepaalde groepsvennootschappen. De A-G wijst op de marge van beoordeling van de in het tweede, derde en vierde middel gestelde motiveringsklachten, welke met name zien op bepaalde bewijsoordelen. Dan geldt als maatstaf dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, vrijstaat om van het beschikbare bewijsmateriaal tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft in principe geen nadere motivering. Daarvan uitgaande meent de A-G dat in deze middelen niet wordt opgekomen tegen oordelen welke zouden zijn aan te merken als onbegrijpelijk. Daarop stuiten die middelen af. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.