ECLI:NL:PHR:2016:741
Parket bij de Hoge Raad · 01-07-2016 · zaaknummer 15/04483
Inhoudsindicatie
Belanghebbende maakt in 2005 samen met [E] deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door [C] Holding BV. De dga van [C] Holding BV is [D]. In 2005 heeft [E] tegen in totaal € 450.000 elf verhuurde woningen verkocht aan de kinderen van de dga. Daarnaast heeft [E] tegen in totaal € 600.000 tien woningen verkocht aan de dga. De panden zijn voorafgaand aan de verkoop op verzoek van [E] getaxeerd door [B], makelaar in en taxateur van onroerende zaken. Laatstgenoemde heeft de panden, met toepassing van huurwaardekapitalisatiemethode, getaxeerd op € 452.000 resp. € 600.000. Binnen vijf jaar na verkoop en levering van de panden aan de dga en zijn kinderen, zijn drie van de panden van de kinderen en is één van de panden van de dga doorverkocht. In juni 2009 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangifte Vpb 2005. In het kader van dit onderzoek zijn de panden naar peildatum 24 november 2005 door [G] getaxeerd op in totaal € 1.310.750 (panden kinderen) en € 2.000.000 (panden dga). De Inspecteur heeft als gevolg hiervan een winstcorrectie toegepast van € 419.500. In geschil is (i) of de Inspecteur de waarde van de panden terecht, en, zo ja, tot een juist bedrag heeft gecorrigeerd en (ii) of laatstgenoemde correctie toegevoegd kan worden aan de herinvesteringsreserve als bedoeld in artikel 3.54 Wet IB 2001. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de door hem voorgestane waarde met het overleggen van de taxatierapporten aannemelijk heeft gemaakt. Het heeft vervolgens, onder verwijzing naar HR BNB 1997/42, geoordeeld dat nu de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de werkelijke waarde van de panden aanzienlijk hoger is dan de overeengekomen prijs, de Inspecteur – behoudens tegenbewijs – tevens voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. Dit tegenbewijs is volgens het Hof niet geleverd. Het Hof oordeelt tot slot dat de verhoging niet aan de HIR kan worden gedoteerd, omdat ter zake van dit gedeelte vaststaat dat het zal worden uitgekeerd aan de aandeelhouders, zodat niet aan het herinvesteringsvoornemenvereiste is voldaan. Belanghebbende stelt drie cassatiemiddelen voor. In het eerste middel betoogt belanghebbende dat het Hof, bij zijn oordeel dat de Inspecteur de waarde van de panden met het overleggen van de taxatierapporten aannemelijk heeft gemaakt, ten onrechte is voorbijgegaan aan verschillende elementen die de taxateur van belanghebbende wel in zijn rapporten heeft betrokken. Volgens de A-G is, anders dan belanghebbende betoogt, het oordeel van het Hof met voldoende redenen omkleed. Het Hof heeft zijn oordeel, dat de Inspecteur bij de waardering mocht uitgaan van een uitpondscenario, gemotiveerd door erop te wijzen dat (i) belanghebbende had besloten de onderhavige panden aan gelieerde partijen te verkopen, teneinde aan externe partijen positieve resultaten te laten zien, zodat sprake was van een gewijzigde strategie en niet louter rekening kon worden gehouden met een exploitatiescenario, en (ii) gebleken is dat het uitpondscenario bewaarheid is geworden. Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat hetgeen belanghebbende tegen deze rapporten heeft aangevoerd, van onvoldoende gewicht is om tot een andersluidend oordeel te komen. Om deze reden faalt de klacht van belanghebbende dat door bij de waardering uit te gaan van de taxatierapporten van de Inspecteur onvoldoende rekening is gehouden met de wetenschap omtrent deze waarde in de te belasten periode. Het oordeel van het Hof is feitelijk en niet onbegrijpelijk. In het tweede middel betoogt belanghebbende dat zonder nadere motivering, de blote vaststelling van een waarderingsverschil zoals het Hof doet niet kan leiden tot een bevoordelingsbedoeling van de belanghebbende. Volgens de A-G berust het oordeel van het Hof, gezien hetgeen de Hoge Raad in HR BNB 1997/42 heeft overwogen, niet op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof is van oordeel dat het tegenbewijs ontoereikend is, en heeft dit oordeel gemotiveerd door te wijzen op de grote eigen deskundigheid van belanghebbende op het terrein van handelen in onroerende zaken. Daaruit heeft het Hof afgeleid dat belanghebbende had moeten beseffen dat het rapport van [B] op onvolledige grondslagen berustte. Door te oordelen dat daarom het geponeerde tegenbewijs onvoldoende is, heeft het Hof een oordeel gegeven omtrent de waardering van de feiten dat niet ongemotiveerd en niet onbegrijpelijk is, en dat derhalve in cassatie onaantastbaar is. Het middel faalt. In het derde cassatiemiddel komt belanghebbende op tegen de beslissing van het Hof om niet toe te staan de door haar geconstateerde hogere verkoopwinst toe te voegen aan de HIR. Volgens de A-G berust het oordeel van het Hof, dat uitgaat van de veronderstelling dat alleen sprake kan zijn van een herinvestering indien de aankoop van het nieuwe bedrijfsmiddel wordt gefinancierd met de middelen die met de vervreemding van het vervangen middel zijn verkregen, op een onjuiste rechtsopvatting. Hierbij neemt de A-G in aanmerking (i) dat het ondoenlijk is te bepalen of een nieuwe aankoop plaatsvindt met de middelen die met de eerdere vervreemding van het bedrijfsmiddel zijn verkregen, (ii) dat een andersluidende opvatting ertoe kan leiden dat materieel gelijke gevallen fiscaal ongelijk worden behandeld, en (ii) de parlementaire toelichting bij artikel 3.54 Wet IB 2001. Het voorgaande brengt volgens de A-G mee dat het herinvesteringsvoornemen (slechts) moet worden getoetst aan de feitelijke intentie van de ondernemer – die hij aannemelijk zal moeten maken – en niet afhangt van de besteding van de opbrengst. Het enkele feit dat belanghebbende voornemens is de opbrengst aan te wenden voor een uitdeling aan de aandeelhouders, kan dus niet het oordeel van het Hof dragen dat geen sprake is van een herinvesteringsvoornemen. Het middel slaagt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard, en dat het geding voor nader onderzoek moet worden verwezen. (Zie voor de bijlage ECLI:NL:PHR:2016:788).
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
