Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2016:740

Parket bij de Hoge Raad · 01-07-2016 · zaaknummer 15/04913

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 26-07-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belanghebbende drijft met haar echtgenoot in maatschapsverband een akkerbouwonderneming. In 2000 is er in verband met de verkoop van de akkerbouwgrond door haar echtgenoot contact geweest met verschillende projectontwikkelaars. Op 5 juli 2004 heeft de echtgenoot een verzoek ingediend voor minnelijke taxatie van een deel van de akkerbouwgrond, in verband met een mogelijke overdracht dan wel schenking van de grond aan haar drie kinderen. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben een van de Inspecteur ontvangen ‘overeenkomst taxatie onroerende zaak’ ondertekend, waarin zij de vragen (i) of besprekingen zijn gevoerd betreffende een eventuele verkoop van de onroerende zaak, (ii) of er recentelijk biedingen zijn uitgebracht, en (iii) of op dit moment biedingen zijn te verwachten, ontkennend hebben beantwoord. De overeenkomst vermeldt voorts dat de taxatie ongeldig is ‘wanneer de reden van de waardebepaling niet of niet geheel is uitgevoerd binnen 3 maanden na dagtekening van het taxatierapport’ en dat aan de taxatie geen waarde wordt toegekend als achteraf blijkt dat de bovenstaande vragen onjuist of onvolledig zijn beantwoord en de taxatie bij juiste beantwoording tot een andere waarde van het object zou hebben geleid. In december 2004 hebben belanghebbende en haar echtgenoot het perceel aan hun kinderen verkocht. Het perceel is bij akte van levering van 11 april 2005 geleverd. De Inspecteur heeft de verkoopprijs van het perceel gecorrigeerd. In geschil is (i) of de Inspecteur is gebonden aan de waardevaststelling in de overeenkomst en, zo nee, (ii) of de boekwinst, voor zover deze betrekking heeft op de correctie, gedoteerd kan worden aan de herinvesteringsreserve. Volgens het Hof is de Inspecteur niet gebonden aan de waarde in de overeenkomst, omdat (i) de verkoop van de grond niet binnen drie maanden heeft plaatsgevonden en (ii) belanghebbende een aantal vragen in de overeenkomst onjuist heeft beantwoord. Het Hof stelt vervolgens de waarde van de grond in goede justitie vast. Vervolgens oordeelt het Hof dat de met de verkoop van het perceel behaalde boekwinst, voor zover deze betrekking heeft op de correctie, gedoteerd kan worden aan de HIR. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat (i) onweersproken vaststaat dat belanghebbende en haar echtgenoot in het onderhavige boekjaar het voornemen hadden de verkoopopbrengst van het perceel te gebruiken voor de aankoop van landbouwgronden, (ii) reeds in dat jaar een eerste vervangende aankoop heeft plaatsgevonden, en (iii) in de periode 2004-2009 115 hectare akkerbouwgrond is aangekocht. Incidenteel beroep in cassatie. Volgens belanghebbende in zijn (incidenteel) cassatieberoep heeft het Hof, door te oordelen dat de Inspecteur niet aan de waarde in de overeenkomst is gebonden, de overeenkomst onjuist uitgelegd. Volgens A-G Niessen vergt de vraag welke betekenis partijen aan de overeenkomst in de gegeven omstandigheden aan de overeenkomst mochten toekennen, een beoordeling van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is. ’s Hofs uitlegging van de overeenkomst, dat in geval van de onroerende zaak de transactie eerst met de inschrijving van de notariële akte van levering in het register geheel is uitgevoerd, is, gezien de tekst van de overeenkomst, niet onbegrijpelijk en voor het overige voldoende gemotiveerd. Het middel faalt. Principaal beroep in cassatie De Staatssecretaris komt in zijn eerste middel op tegen het oordeel van het Hof dat de bij correctie in aanmerking genomen verhoging van de verkoopprijs aan de HIR kan worden gedoteerd. Volgens de Staatssecretaris is sprake is van een onttrekking, ter zake waarvan in werkelijkheid geen opbrengst wordt genoten. A-G Niessen oordeelt dat, anders dan de Hoge Raad in HR BNB 1970/23 heeft geoordeeld, voor de uitleg van het begrip opbrengst in artikel 3.54 Wet IB 2001 aansluiting moet worden gezocht bij de winst die fiscaal wordt verantwoord, ook indien in deze winst bedragen in aanmerking zijn genomen ter zake waarvan slechts voor fiscale doeleinden (i.e. in werkelijkheid niet) een opbrengst is genoten. Hierbij neemt de A-G in aanmerking (i) dat doel en strekking van de HIR-faciliteit er niet toe nopen om voor de toepassing van de HIR-faciliteit af te wijken van de fiscale winstbepalingsregels en deze fictie bij de vaststelling van het te doteren bedrag niet te laten doorwerken, (ii) de parlementaire toelichting bij de invoering van de HIR-faciliteit in 2001, en (iii) dat onttrekkingen onder het regime van de ruilarresten en de HIR-faciliteit verschillend worden behandeld, terwijl de wetgever met de invoering van de HIR heeft beoogd de aan de ruilarresten ten grondslag liggende gedachte in de wettelijke regeling te absorberen (vgl. HR BNB 2014/76). Het middel van de Staatssecretaris faalt. In zijn tweede middel betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende een herinvesteringsvoornemen had. Dit middel slaagt. Volgens de A-G heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de Staatssecretaris de stelling van belanghebbende, dat sprake is van een herinvesteringsvoornemen, niet heeft weersproken. Voor zover het Hof heeft bedoeld te oordelen dat belanghebbende, ondanks de verweren van de Inspecteur, het herinvesteringsvoornemen aannemelijk heeft gemaakt, is het oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het Hof heeft er immers geen blijk van gegeven dat het de door de Inspecteur naar voren gebrachte bezwaren ter zake van de aangekochte grond bij zijn oordeel in aanmerking heeft genomen. Omdat de vraag of sprake is van een herinvesteringsvoornemen, een beoordeling vergt van feitelijke aard, dient volgens de A-G verwijzing plaats te vinden. De conclusie strekt ertoe dat het principaal beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond en het incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond wordt verklaard, en dat het geding voor nader onderzoek moet worden verwezen. (Zie voor de bijlage ECLI:NL:PHR:2016:788).

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.