ECLI:NL:PHR:2016:628
Parket bij de Hoge Raad · 19-04-2016 · zaaknummer 14/05145
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Art. 7 Wte. 1. Aanvang verjaring. Door slechts te overwegen dat het onder 2 subs. tlgd. delict gekwalificeerd moet worden als een “voortdurend delict” omdat dit delict “pas [is] voltooid op de dag dat betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert” heeft het Hof zijn oordeel omtrent de aanvang van de verjaring niet behoorlijk gemotiveerd. In het bijzonder heeft het Hof geen inzicht erin gegeven op welke f&o, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tll genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tll heeft gebaseerd. 2. Slagende bewijsklacht medeplichtigheid, nu het opzet van verdachte op het door diens medeverdachte opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
