Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2016:563

Parket bij de Hoge Raad · 17-06-2016 · zaaknummer 15/04099

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 30-06-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Doorbelasting, door een pensioenfonds aan de werkgever, van interne en externe kosten van een door de werkgever gewenste collectieve waardeoverdracht naar een ander pensioenfonds op basis van een vaststellingsovereenkomst tot een bepaald maximum. Belaste prestatie van het pensioenfonds aan de werkgever? Rechtstreeks verband? Aftrekrecht bij het pensioenfonds voor de btw op de ingekochte diensten? Bewijslastverdelingsregel ex HR BNB 2002/141 Feiten: de belanghebbende voerde de collectieve pensioenregeling van het [I]-concern ([I] c.s.) uit. Zij was onderneemster voor de Wet OB. Haar pensioenuitvoeringswerkzaamheden waren vrijgesteld van omzetbelasting. [I] c.s. en zij hebben een geschil over de hoogte van door [I] c.s. te betalen herstelpremies wegens onderdekking beëindigd met vaststellingsovereenkomsten, mede strekkende tot overdracht van de pensioenregeling naar [J]. [I] c.s. verbond zich onder meer tot vergoeding aan de belanghebbende van de kosten van de waardeoverdracht tot maximaal € 10 mio. [I] c.s. heeft € 9.920.000 vergoed (€ 80.000 bleef voor rekening van de belanghebbende wegens eigen werknemers) op een factuur van de belanghebbende waarop de belanghebbende bovendien € 1.884.800 omzetbelasting in rekening heeft gebracht. Die factuur vermeldt: “Vergoeding van transitiekosten conform vaststellingsovereenkomst”. De pensioenoverdracht is ex art. 37d Wet OB niet onderworpen aan omzetbelasting. Geschil: de belanghebbende wenst de haar in rekening gebrachte omzetbelasting op de externe kosten van de waardeoverdracht in aftrek te brengen. Daarvoor moet eerst beoordeeld worden of de kostenvergoeding een vergoeding is voor een belaste prestatie van de belanghebbende. De Rechtbank Gelderland heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard wegens onvoldoende rechtstreeks verband tussen kostenvergoeding en medewerking aan pensioenoverdracht. Ook het Hof Arnhem-Leeuwarden las in de vaststellingsovereenkomst niet dat de belanghebbende jegens [I] c.s. een dienst heeft geleverd bestaande uit verlening van medewerking aan collectieve waardeoverdracht tegen betaling van € 9.920.000. Het Hof nam desondanks een (andere) belaste prestatie (dan medewerking aan overdracht) door de belanghebbende jegens [I] c.s. aan omdat (i) doorbelasting van kosten in beginsel een economische activiteit is die aan omzetbelasting is onderworpen en (ii) HR BNB 2002/141 inhoudt dat als een ondernemer betaalt aan een andere ondernemer ervan moet worden uitgegaan dat de betaling de tegenwaarde voor een prestatie is. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in casu anders is. Het Hof heeft vervolgens over het aftrekrecht geoordeeld dat het daarvoor vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat aanwezig is voor zover de kosten aan [I] c.s. zijn doorbelast, maar niet voor zover zij voor eigen rekening van de belanghebbende zijn gebleven. Cassatiemiddelen: de Staatssecretaris bestrijdt principaal (I) dat de belanghebbende met de doorbelasting een prestatie onder bezwarende titel zou hebben verricht, en (II) dat de aan de doorbelaste kosten toerekenbare omzetbelasting aftrekbaar is. Incidenteel bestrijdt de belanghebbende ’s Hofs oordeel dat de aan de niet-doorbelaste kosten toerekenbare omzetbelasting niet aftrekbaar zou zijn. A.-G. Wattel constateert dat voor een bezwarende titel is vereist (i) een bedongen vergoeding, (ii) een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en (iii) een rechtstreeks verband tussen die bedongen vergoeding en een daartegenover staande prestatie. Uit HR BNB 2002/141 en HR BNB 2014/160 volgt dat bij betalingen tussen ondernemers ervan mag worden uitgegaan dat zij de tegenwaarde voor een prestatie vormen. Het rechtstreekse verband is dan in beginsel gegeven. Op die hoofdregel bestaan uitzonderingen die de Inspecteur aannemelijk moet maken. ’s Hofs uitgangspunt dat doorbelasting van kosten in beginsel een economische activiteit is die aan omzetbelasting is onderworpen, kan volgens de AG niet op de door het Hof daartoe aangevoerde jurisprudentie gebaseerd worden. Voor de door het Hof toegepaste bewijsregel van HR BNB 2002/141 (betaling tussen ondernemers impliceert belaste prestatie behoudens tegenbewijs) ziet hij geen steun in het EU-recht, maar bij gebrek aan Unierechtelijke procesregels kunnen de lidstaten hun eigen procesrecht toepassen, mits niet ten koste van de effectiviteit en de uniformiteit van het EU-recht. Hij ziet op zichzelf geen dergelijk EU-rechtelijk bezwaar tegen een dergelijk rechtsvermoeden, maar wel intern-procesrechtelijke bezwaren tegen toepassing ervan in belanghebbendes geval omdat het er in casu toe leidt dat de fiscus moet bewijzen dat een onbepaalde vermoede belaste prestatie, die niet bestaat uit medewerking aan waardeoverdracht, niet bestaat. De AG acht dat in strijd is met een redelijke verdeling van de bewijslast; de uniformiteit en de effectiviteit van EU-recht verzet zich zijns inziens niet tegen voorkoming van onmogelijke bewijsposities. De AG acht daarom gegrond de klachten van de Staatssecretaris (i) dat het rechtsvermoeden van HR BNB 2002/141 in casu niet geldt omdat – anders dan in HR BNB 2002/141 – geen tegenover de betaling staande concrete dienst van de belanghebbende aan een afnemer zichtbaar is, nu het meewerken aan pensioenoverdracht immers niet die dienst is, en (ii) dat het Hof daarom in dit geval had moeten aanduiden wélke andere belaste prestatie (dan medewerking aan pensioenoverdracht) hij in rechtstreeks verband met de ontvangen kostenvergoeding vermoedde, om de inspecteur in de gelegenheid te stellen om dat vermoeden te ontzenuwen. Zolang de preliminaire vraag naar het bestaan van een belastbare prestatie niet is opgehelderd, kan de vraag naar (de mate van) het aftrekrecht van de belanghebbende niet beantwoord worden, zodat principaal middel II en het incidentele middel niet behandeld kunnen worden. Conclusie: principaal cassatiemiddel I gegrond; verwijzen voor feitelijk onderzoek.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.