Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2016:525

Parket bij de Hoge Raad · 14-06-2016 · zaaknummer 15/04760

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 22-06-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Tonnageregeling. Provisie ontvangen door commandiet in scheepvaart-CV voor werkzaamheden bij verkoop van door haar mede geëxploiteerd schip. Winst behaald met werkzaamheden die direct samenhangen met scheepsexploitatie in de zin van art. 3.22(4)(c) Wet IB 2001? Feiten: De belanghebbende is commandiet in de besloten scheepvaart-CV die transparant is voor de heffing van de vennootschapsbelasting. Het mede door haar geëxploiteerde zeeschip is via een scheepsmakelaar verkocht, die daarvoor 3% van de prijs heeft ontvangen. Daarvan heeft de makelaar een derde (€ 56.250) aan de belanghebbende betaald voor werkzaamheden die de belanghebbende ten behoeve van de verkoop heeft gedaan. In geschil is of de verkoopprovisie onder de tonnageregeling (art. 3.22 t/m 3.24 Wet IB 2001) valt voor de scheepsexploitatiewinst van de vennoten. Volgens de Rechtbank Noord-Nederland viel belanghebbendes provisie in het tonnageregime. Volgens het Hof Arnhem-Leeuwarden daarentegen hingen de verkoopwerkzaamheden weliswaar direct samen met de scheepsexploitatie, maar de verkoopprovisie niet omdat zij door de belanghebbende niet als commandiet in de CV, maar pro se was genoten. De belanghebbende stelt in cassatie dat ‘s Hofs onderscheid tussen de werkzaamheden en de winst niet bestaat omdat (i) de CV voor de vennootschapsbelastingheffing niet bestaat, althans onzichtbaar is, zodat er voor de toepassing van de tonnageregeling geen onderscheid bestaat tussen de belanghebbende/exploitant en de belanghebbende/pro se, (ii) belanghebbendes werkzaamheden ook volgens het Hof rechtstreeks samenhangen met de exploitatie van het schip, zodat het resultaat daarvan aan de belanghebbende/exploitant is toegekomen. De Staatssecretaris stelt voorwaardelijk incidenteel dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbendes werkzaamheden voor de scheepsmakelaar direct samenhingen met scheepsexploitatie. A-G Wattel leidt uit de wetsgeschiedenis af dat ‘in eigen beheer’ een constitutief vereiste is voor ‘direct met scheepsexploitatie samenhangende werkzaamheden’. Met de belanghebbende meent hij dat het oordeel van het Hof ofwel niet-begrijpelijk – want innerlijk tegenstrijdig – is, ofwel rechtskundig onjuist is omdat de vereiste samenhang zich niet kan voordoen bij ontbreken van eigen beheer. Zijns inziens hingen ofwel de verkoopwerkzaamheden – anders dan het Hof heeft geoordeeld – niet direct samen met de scheepsexploitatie (omdat ze – volgens het Hof – niet in ‘eigen beheer’ zijn verricht), ofwel hingen zij daarmee wél direct samen, hetgeen echter – anders dan het Hof heeft geoordeeld – ‘eigen beheer’ veronderstelt. De A-G constateert dat de door de belanghebbende gegeven omschrijving van haar werkzaamheden en haar stelling dat die werkzaamheden niet door derden konden of mochten worden verricht, door de Inspecteur niet is weersproken. Zijns inziens moest het Hof daarom van de juistheid van die beschrijving en die stelling uitgaan en liet dat geen andere conclusie toe dan dat de belanghebbende die werkzaamheden als mede-exploitant van het schip voor dat eigen schip heeft uitgevoerd. Voor zover de partijen klagen over inconsistentie in ’s Hofs oordeel, klagen zij volgens de AG beide terecht. Het Hof is voorts kennelijk uitgegaan van de juistheid van belanghebbendes – volgens het Hof echter niet relevante – stelling dat de vennoten onderling zijn overeengekomen dat aan de belanghebbende de provisie toekwam voor de voor de verkoop van het schip verrichte werkzaamheden. De A-G meent dat het bestaan van een dergelijke overeenkomst niet toelaat de conclusie van het Hof dat de belanghebbende pro se, dus buiten haar medevennoten in de CV zou hebben opgetreden. Zijns inziens impliceert juist het feit dat de vennoten onderling die afspraak maakten dat de provisie in beginsel aan de CV toekwam. Vennoten in de CV kunnen immers geen verdelingsafspraken maken over iets waarop de CV geen aanspraak kan maken. Ook bestaan en inhoud van die overeenkomst zijn volgens de AG onvoldoende weersproken door de Inspecteur, zodat ook die overeenkomst noopt tot de conclusie dat de belanghebbende de provisie als exploitant van het schip genoot. De AG acht onjuist het standpunt van de Staatssecretaris dat de medewetgever met “het vervreemden” van zaken, gebruikt bij de exploitatie van het schip (inclusief het schip zelf), uitsluitend het oog had op boekwinst. Conclusie: principaal cassatieberoep gegrond. Incidenteel beroep ongegrond c.q. behoeft geen separate behandeling; zelf afdoen.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.