Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2016:469

Parket bij de Hoge Raad · 31-05-2016 · zaaknummer 15/04645

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 13-06-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteerde sinds mei 1998 samen met zijn echtgenote in maatschapsverband een melkveehouderij in Nederland. Begin 2000 komen belanghebbende en zijn echtgenote overeen om het aandeel in het melkquotum, de veestapel, de bedrijfsgebouwen, de grond en de overige onroerende zaken in te brengen in een BV. Belanghebbende bedingt ter zake van de inbreng in de BV een winstrecht en een lijfrecht bij de BV. Belanghebbende pacht vervolgens in april/mei 2000 melkquota en gronden in Duitsland en koopt (eveneens in Duitsland) een boerderij. Hierna worden de Nederlandse boerderij, de melkquota en de landbouwgronden verkocht aan derden. Op 1 augustus 2000 sluiten belanghebbende, zijn echtgenote en de BV een maatschapscontract, dat op 5 mei 2002 in schriftelijke vorm (tussen de belanghebbende en de BV) wordt opgemaakt. Het geschil in cassatie betreft de vraag of sprake is van staking van belanghebbendes onderneming (waarbij de vraag rijst of de behaalde stakingswinst belastbaar is ex artikel 7 Wet IB 1964), of dat sprake is van een verplaatsing van belanghebbendes melkveeonderneming (met behoud van identiteit) van Nederland naar Duitsland. Tevens is in geschil of uitstel van winstneming van het bij de BV bedongen winstrecht mogelijk is (ter zake van de inbreng van belanghebbendes onderneming in een door hem en zijn echtgenote opgerichte BV). De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een staking van belanghebbendes onderneming, maar van verplaatsing van de onderneming (met behoud van identiteit). Anders dan de rechtbank oordeelde het hof dat de identiteit van belanghebbendes onderneming wél was veranderd. Gezien het arrest HR BNB 2010/213 was volgens het hof geen sprake van een voortzetting in Duitsland van de Nederlandse onderneming. Het hof achtte van belang dat de omvang van het melkveebedrijf (zoals blijkt uit de oppervlakte van de gronden, het aantal koeien en het melkquotum) in Duitsland aanzienlijk groter was dan de in Nederland geëxploiteerde onderneming. Het hof oordeelde ten aanzien van het winstrecht dat – gelet op HR BNB 2011/34 – uitstel van winstneming niet kon plaatsvinden, omdat het winstrecht was bedongen ter zake van winst van een verkochte onderneming en bovendien de waarde van het winstrecht kon worden geschat. In het eerste middel klaagt belanghebbende over ’s Hofs oordeel dat de materiële – door belanghebbende gedreven – onderneming is beëindigd. Ten tweede klaagt belanghebbende over ’s Hofs afwijzing van uitstel van winstneming van het winstrecht. Ten derde klaagt belanghebbende over ’s Hofs oordeel dat de waarde van het winstrecht kan worden geschat. Volgens A-G Niessen zijn gelet op het arrest van 19 maart 2010 (HR BNB 2010/213), de volgende criteria van belang voor de vraag of een (agrarische) onderneming is gestaakt: i) de aard van het product; ii) de wijze waarop en de middelen waarmee het product wordt vervaardigd; iii) het wettelijk kader dat geldt voor de bedrijfsuitoefening en de mate waarin dit wordt gehandhaafd; en iv) de voor de onderneming relevante marktomstandigheden. Deze factoren moeten gezamenlijk en in onderling verband met elkaar worden beschouwd teneinde te beoordelen of de identiteit van de onderneming is gewijzigd. Gelet op dit arrest heeft het Hof, door zijn oordeel louter te baseren op de omstandigheid dat de onderneming (i.e. de oppervlakte van de gronden, het aantal koeien en het melkquotum) aanzienlijk was uitgebreid, volgens de A-G blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De A-G meent dat het eerste middel slaagt en dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. Ten aanzien van belanghebbendes tweede middel heeft de Hoge Raad in HR BNB 2011/34 geoordeeld dat uitstel van winstneming bij verkrijging van een winstrecht niet toelaatbaar is indien een bedrijfsmiddel is overgedragen tegen een recht op de winst uit de onderneming die niet door de verkoper werd gedreven en dat dit uitzondering lijdt indien geen redelijke schatting kan worden gemaakt van de waarde van het winstrecht. Indien belanghebbendes eerste middel niet gegrond wordt bevonden (er is wél sprake van een staking van belanghebbendes onderneming), moet volgens A-G Niessen worden geoordeeld dat het winstrecht is verkregen in een onderneming die niet door de verkoper werd gedreven. Uitstel is dan in beginsel niet toelaatbaar. Belanghebbendes derde middel, dat opkomt tegen ’s Hofs oordeel dat een redelijke schatting kon worden gemaakt van de waarde van het winstrecht en derhalve uitstel van winstneming is uitgesloten vanwege het niet voldoen aan de ‘tenzij-regel’, ziet volgens de A-G op een oordeel dat aan de feitenrechter voorbehouden is en overigens niet onbegrijpelijk is. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.