Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2016:1221

Parket bij de Hoge Raad · 23-11-2016 · zaaknummer 16/02257

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 07-12-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Verlaagd tarief voor verkrijging van woningen; hospice; “naar zijn aard bestemd voor bewoning”; aansluiting bij art. 220a of 220e Gemeentewet? Bijna-thuis en high care hospices; negatieve lijst: verpleeg- of verzorgingsinstelling of ziekenhuis? Wat is wonen? Doorstroming op de woningmarkt? Splitsing van de waarde als meer dan 10% niet bestemd is voor bewoning; publiekrechtelijke bestemming. Feiten en geschil: de belanghebbende heeft 6% overdrachtsbelasting voldaan bij de verkrijging van een pand dat in 2006 als hospice is gebouwd en sindsdien als zodanig dienst doet bij een stichting waaraan de belanghebbende verhuurt. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen haar voldoening omdat zij meent dat het hospice als woning(en) is aan te merken zoals bedoeld in art. 14(2) WBR, waarvoor het verlaagde tarief (2%) geldt. De Rechtbank Noord-Holland achtte het 6%-tarief van toepassing omdat zij onder ‘wonen’ verblijf van duurzame aard verstaat. Zij oordeelde onder verwijzing naar HR BNB 2013/546 (over de onroerendezaakbelasting) dat verblijf in een hospice niet als verblijf van duurzame aard is te beschouwen. Het Hof Amsterdam achtte de uitleg in HR BNB 2013/546 van de term ‘wonen’ niet relevant voor art. 14(2) WBR. De term ‘woning’ in die bepaling moet op zichzelf worden beoordeeld. Op basis van de bouwkundige kenmerken van het pand heeft het Hof geoordeeld dat het voor de toepassing van art. 14(2) WBR om een woning gaat. Hij achtte niet van belang of de bewoners er duurzaam verblijven. Het Hof zag geen grond om het pand aan te merken als een verpleeghuis of ziekenhuis. In cassatie voert de Staatssecretaris aan dat de term ‘woning’ naar het spraakgebruik moet worden uitgelegd en dat de wetgever de doorstroming op de woningmarkt stimuleren. Naar het spraakgebruik is een hospice geen woning en de litigieuze verkrijging draagt niet bij aan doorstroming. Het Hof heeft ten onrechte slechts getoetst of de inrichting objectief bezien de kenmerken van een woning heeft en ten onrechte meegewogen dat het pand publiekrechtelijk een woonbestemming had. De Staatssecretaris meent dat de zorgfunctie op de voorgrond staat en niet de verhuur van woonruimte. A-G Wattel meent dat het Hof voor de uitleg van de term ‘woning’ in art. 14(2) WBR terecht niet heeft aangesloten bij art. 220a of art. 220e Gemeentewet, maar die term zelfstandig heeft uitgelegd in het licht van de parlementaire geschiedenis, die als beslissend criterium aanwijst: ‘naar zijn aard bestemd voor bewoning.’ Daarvoor zijn in de eerste plaats van belang de oorspronkelijke aard bij de bouw en de daaruit volgende objectieve bestemming. Het pand is ontworpen en gebouwd als hospice. Na de oorspronkelijke bouw is er niet verbouwd. De vraag is dan of verblijf in een hospice ‘wonen’ is. Uit de feiten volgt dat het om een ‘bijna-thuis’ hospice gaat (niet om een high care hospice), dus niet om ‘ziekenhuis-verplaatste zorg’, maar om thuiszorg en gezelschap. Er zijn in casu geen ‘medische’ ruimten. De zes units voor de huurders zijn ontworpen en bestemd als privé-ruimten voor terminaal zieken en de logeerruimten voor hun privé-gasten. De units beschikken weliswaar niet over eigen douche/bad/wc of separate woonkamer, maar er zijn drie gemene badkamers/wc’s (1 op 2) en één gemene woonkamer (1 op 6). Het Hof heeft hierop zijn oordeel kunnen baseren dat de functie met het oog waarop het hospice is ontworpen en gebouwd, ‘wonen’ is en niet - zoals mogelijk bij een high care hospice - ‘verpleging’ of ‘ziekenhuis’. Dat individuele huurders uit de aard der zaken mogelijk niet lang blijven, doet daar niet aan af. Beslissend is volgens de A-G of het hospice objectief (bouwkundig beoordeeld) een woonfunctie en –bestemming heeft; niet hoe lang de huurders blijven. Er zijn wel enkele ruimten die niet ontworpen en gebouwd zijn met het oog op het verblijf van de huurders, nl. een kantoor en een vergaderruimte, die volgens de belanghebbende meer dan 10% van het vloeroppervlak beslaan, maar nu de inspecteur niet heeft gesteld dat de waarde op die basis gesplitst moet worden en de Staatssecretaris er in cassatie niet over begint, ligt het volgens de A-G niet op de weg van de Hoge Raad om op deze grond van ambtswege ten nadele van de belanghebbende te vernietigen en te verwijzen. Of de verkrijging van het hospice bijdraagt aan de doorstroming op de woningmarkt is volgens de A-G nauwelijks relevant. Weinig ter zake doet volgens de A-G het feitelijke gebruik van het gebouw. Ook als het Hof had moeten twijfelen, acht de A-G ‘s Hofs oordeel rechtskundig juist, omdat hij alsdan, gezien de wetsgeschiedenis terecht mede beslissend heeft geacht de publiekrechtelijke bestemming (‘woonfunctie’). Op de parlementaire ‘negatieve lijst’ van gebouwen die in geen geval woningen zijn, figureert ook de onroerende zaak die bestemd is voor gebruik als een verpleeg- of verzorgingsinstelling of ziekenhuis. Dat werpt echter geen licht op de zaak, nu de vraag juist is waartoe het litigieuze gebouw naar zijn aard ‘bestemd’ is. Het Hof heeft kunnen oordelen dat het ontworpen en gebouwd is als bijna-thuis hospice en niet als verpleeg- of ziekenhuis. De negatieve lijst zet het door de wetgever gewenste algemene en objectieve criterium ‘naar zijn aard bestemd’ niet opzij. Zelfs als het hospice feitelijk zou worden gebruikt als ziekenhuis, maar naar zijn bouwkundige aard niet daarvoor maar voor bewoning bestemd zou zijn, zou de verkrijging gefacilieerd zijn. Conclusie: cassatieberoep ongegrond. De gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 23 november 2016 in de zaken met rolnummers 16/01734, 16/02257, 16/03768 en 16/04101 heeft het volgende ECLI-nummer: ECLI:NL:PHR:2016:1222.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.