Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2016:1054

Parket bij de Hoge Raad · 27-10-2016 · zaaknummer 16/02228

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 02-11-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het verzoek van de erven van [X], belanghebbenden, tot herziening van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600. In dat arrest, bekend als: de tipgeverzaak, heeft de Hoge Raad, naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën, beslist tot gegrondverklaring, met verwijzing naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ter verdere behandeling en beslissing, in het kader van de bij dat arrest gegeven verwijzingsopdracht. Het onderhavige herzieningsverzoek van belanghebbenden heeft tot inzet dat vanwege nieuw gebleken omstandigheden, het voornoemde beroep in cassatie van de Staatssecretaris alsnog ongegrond dient te worden verklaard. In de, aan het Hof Arnhem, in de tipgeverzaak wel overgelegde geschoonde versie van de met de tipgever gesloten zogenoemde tipgeversovereenkomst, zijn enkele passages weggelaten of zwart gemaakt. Aldus is ook de naam van de tipgever geheim gehouden. Ten gevolge van het niet overleggen van ongeschoonde stukken door de Inspecteur, heeft Hof Arnhem vervolgens, als een hem geraden voorkomende gevolgtrekking, als bedoeld in artikel 8.31 van de Awb, de in geding zijnde belastingaanslagen en bijkomende beschikkingen vernietigd. Die gevolgtrekking, vernietiging van de belastingaanslagen, heeft de Hoge Raad onbegrijpelijk geacht, in het licht van de door het Hof gegeven motivering. Na verwijzing moet een en ander nader worden uitgezocht en beoordeeld door het verwijzingshof. Daartoe heeft de Hoge Raad een ruim geformuleerde verwijzingsopdracht gegeven. Het lijkt de A-G dat de kaders van de verwijzingsopdracht (alle) ruimte laten aan belanghebbenden om bij het verwijzingshof ook nieuw bekend geworden materiaal in te brengen dat een nader licht kan werpen op de vragen waarop de verwijzingsopdracht ziet. Dat geldt volgens de A-G ook voor de, als gesteld, nieuw bekend geworden passages uit de tipgevers-overeenkomst, waarop dit herzieningsverzoek is gebaseerd. De Staatssecretaris heeft gesteld dat het verzoek tot herziening moet worden afgewezen omdat het zich richt tegen nog niet vaststaande oordelen. De A-G begrijpt dit zo dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk zou dienen te worden verklaard omdat de oordelen van de Hoge Raad nog niet onherroepelijk zijn. Het komt de A-G echter voor dat een arrest van de Hoge Raad, omdat daartegen geen (gewone) rechtsmiddelen open staan, naar zijn aard moet worden aangemerkt als een onherroepelijke uitspraak als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb. Daarom is het onderhavige herzieningsverzoek zijns inziens ontvankelijk te achten. Die (formele) ontvankelijkheid neemt niet weg dat de A-G meent dat een herziening van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2016, in casu niet de aangewezen voortzetting vormt van deze procedure, als in haar geheel bezien. Elk herzieningsverzoek moet zijn gebaseerd op nieuwe feiten en omstandigheden. Echter, de Hoge Raad kan als cassatierechter maar in beperkte mate feiten toetsen en komen tot nieuwe feitelijke vaststellingen. Dat beperkt de kans van slagen van een herzieningsverzoek dat is ingediend bij de Hoge Raad, als gericht op herziening van een eerder arrest. In casu is er een lopende verwijzingsprocedure. Deze is juist bedoeld voor hernieuwde feitelijke afwegingen. In dat kader kunnen partijen hun stellingen nader toelichten, kunnen nadere stukken worden ingebracht, kan bewijs door middel van getuigen of deskundigen worden geleverd, et cetera. De in het onderhavige geval gegeven verwijzingsopdracht laat, volgens de A-G, aan belanghebbenden de ruimte tot inbreng van nieuwe feiten en omstandigheden welke verband houden met het nader bekend zijn geworden van eerder in de loop van deze procedure nog geanonimiseerde delen uit de tipgeversovereenkomst. Een en ander betekent dat de A-G als aangewezen vervolg in deze procedure niet ziet herziening door de Hoge Raad, maar inbreng door partijen van nieuw geachte informatie in de lopende verwijzingsprocedure. Overigens merkt de A-G nog op dat de Hoge Raad in deze procedure in het geheel niet heeft geoordeeld over de vraag in welke mate de identiteit van de tipgever door de Belastingdienst geheim moest worden gehouden. De eerder in cassatie beoordeelde vraag is geweest of de weigering van de inspecteur om de identiteit van de tipgever prijs te geven, ondanks dat Rechtbank en Hof dat hadden verlangd, dusdanig ernstig is te achten, dat daaraan door het Hof het (verstrekkende) gevolg van vernietiging van de belastingaanslagen mocht worden verbonden. Dat moet nu nader worden beoordeeld door het verwijzingshof. In de overwegingen die hebben geleid tot de verwijzingsopdracht, staat volgens de A-G niets over de door belanghebbenden in deze herzieningsprocedure opgeworpen kwestie naar het al of niet absolute karakter van de verplichting van de belastingdienst jegens de tipgever om diens identiteit geheim te houden. Dat heeft bij de totstandkoming van de gegrondbevinding van het cassatieberoep en de formulering van de verwijzingsopdracht, naar de A-G meent, dan ook geen enkele rol gespeeld. De conclusie strekt tot afwijzing van het herzieningsverzoek van belanghebbenden.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.