ECLI:NL:PHR:2015:399
Parket bij de Hoge Raad · 31-03-2015 · zaaknummer 14/03647
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft in de periode van 15 december 2008 tot en met 13 maart 2009 als zelfstandige duiker reparatiewerkzaamheden verricht aan een drijvende tankopslag, welke gelegen was op een vaste locatie in de territoriale wateren van India. Deze reparatiewerkzaamheden werden door belanghebbende verricht op projectbasis. De tankopslag fungeerde gedurende die periode als verblijfplaats van belanghebbende. Het geschil in cassatie betreft de vraag of belanghebbende voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vast middelpunt in India beschikte. Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin belanghebbende op projectbasis gedurende 89 dagen eenmalige, op zich zelf staande (reparatie)werkzaamheden van zelfstandige aard heeft verricht aan een drijvende tankopslag in de territoriale wateren van India terwijl hij gedurende die periode op de tankopslag waaraan hij de werkzaamheden verrichte verbleef, geen sprake is van een vast middelpunt waarover belanghebbende voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld beschikte. Aangezien het begrip vast middelpunt – dat thans in het OESO-modelverdrag niet meer voorkomt – niet is gedefinieerd, is de context van het in geschil zijnde verdragsartikel, zijnde artikel 14 van het belastingverdrag Nederland-India (hierna: het Verdrag), van belang. Tot de context kunnen de interne samenhang binnen het Verdrag, het OESO- en het VN-modelverdrag en de daarbij behorende toelichtingen worden gerekend. Met dien verstande dat de koppeling tussen beide modelverdragen bezwaarlijk geacht kan worden zo ver te gaan dat een wijziging in het ene model in weerwil van de wensen van de staten die het andere model hanteren, toch daarin doorwerkt. Dat de niet-OESO-staten vasthouden aan artikel 14, indiceert dat betreffende staten deze bepaling van belang achten voor hun positie, hetgeen erop wijst dat zij ervan uitgaan dat hantering van het begrip vast middelpunt eerder leidt tot heffingsbevoegdheid van de bronstaat dan hantering van het begrip vaste inrichting. De A-G is van mening dat de tankopslag gedurende de projecttijd permanent ter beschikking stond aan belanghebbende en laatstgenoemde om deze reden voor de uitoefening van diens werkzaamheden geregeld over deze tankopslag beschikte. Gelet op voornoemde context komt de A-G tot het oordeel dat voor de aanwezigheid van een vast middelpunt niet voor alle gevallen de eis van een vaste minimumduur kan worden gesteld. De verdragsrechtelijke regeling impliceert eerder dat het aan de rechter is om van geval tot geval, alle omstandigheden in aanmerking nemend, dienaangaande een oordeel te vellen. De A-G is bovendien van oordeel dat hierbij als aanvullende regels kan gelden dat - gelet op de context - reparatie- en onderhoudsprojecten minder snel dan andere werkzaamheden een vast middelpunt opleveren, en dat een minimumperiode van zes maanden in de regel als voldoende duurzaam kan worden aangemerkt. In de hier voorliggende zaak, waarbij sprake is van eenmalige reparatiewerkzaamheden op projectbasis gedurende 89 dagen, ontbreekt de vereiste duurzaamheid. Deze conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
