Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2015:2557

Parket bij de Hoge Raad · 29-12-2015 · zaaknummer 12/04717

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 26-01-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Nadere conclusie na terugkeer uit Luxemburg; teruggaafverzoek dividendbelasting van niet-ingezeten particuliere aandeelhouder; vergelijking met de box 3 heffing ten laste van ingezeten belastingplichtige; hoe moet rekening gehouden worden met het heffingsvrije vermogen? Neutralisering in de woonstaat? Feiten: De belanghebbende is Nederlandse en woont in België. Zij heeft in 2007 als certificaathouder beleggingsdividend ontvangen waarop Nederlandse dividendbelasting ad € 16.106 is ingehouden die (bij veronachtzaming van heffingsvrij vermogen) € 527 hoger is dan de inkomstenbelasting (box 3) die bij een inwoner over het certificaatbezit zou zijn geheven. Zij vorderde primair de volledige dividendbelasting terug (omdat inwoners uiteindelijk niet in de dividendbelasting worden betrokken en zij niet inkomstenbelastingplichtig is voor het dividend), en subsidiair het genoemde bedrag ad € 527; een en ander wegens strijd met het vrije kapitaalverkeer binnen de EU. Volgens de Staatssecretaris worden ingezetenen en niet-ingezetenen niet verschillend behandeld omdat van beiden dezelfde dividendbelasting geheven wordt over dezelfde grondslag en Nederland als bronstaat niet verplicht is de inkomstenbelasting in de beschouwing te betrekken die hij als woonstaat heft. De eerste conclusie in deze zaak hield in dat beide opvattingen onjuist zijn en beide beroepen ongegrond, dat van de belanghebbende omdat zij niet in een Schumacker-positie verkeert. De Hoge Raad heeft op 20 december 2013 prejudicieel aan het HvJ EU vragen voorgelegd over de maatstaven voor vergelijking van de belastingdruk tussen inwoners en niet-inwoners en over mogelijke neutralisering door de woonstaat van een eventuele discriminerende Nederlandse bronheffing. Het HvJ EU heeft de zaak gevoegd met twee andere (C-17/14, Société Générale, en C-10/14, Miljoen) en heeft op 17 september 2015 de volgende antwoorden gegeven: (i) bij de belastingdrukvergelijking moet ook de inkomstenbelastingpositie van ingezeten aandeelhouders in de beschouwing worden betrokken; (ii) het referentietijdvak is het kalenderjaar; (iii) de drukvergelijking geschiedt niet per soort aandeel, maar voor het aandelenbezit als geheel, (iv) rekening moet worden gehouden met het heffingsvrije vermogen en (v) in belanghebbendes geval (aftrek in plaats van verrekening in haar woonstaat) kan een belemmering van het kapitaalverkeer door hogere dividendbelastingheffing dan (uiteindelijke) ingezetenenheffing in beginsel niet gerechtvaardigd worden door neutralisering in de woonstaat. De belanghebbende leidt uit het arrest van het HvJ EU af dat zij bij de vergelijking met de ingezeten maatman het heffingsvrije vermogen geheel mag toerekenen aan de certificaten, hoewel haar vermogen circa twee keer zo groot is, en dat € 1.372,30 gerestitueerd moet worden omdat Nederland zich niet kan beroepen op de – eenzijdige – Belgische aftrekregeling. De Staatssecretaris acht ’s Hofs inaanmerkingneming van het heffingsvrije vermogen onverenigbaar met zaak C-376/03, D. v inspecteur en betwijfelt of het HvJ EU doel en strekking van het heffingsvrije vermogen heeft doorgrond. Volgt u niettemin het HvJ EU, dan meent hij dat het heffingsvrije vermogen slechts pro rata aan de certificaten kan worden toegerekend, alsmede dat Nederland zich niet kan beroepen op neutralisering in de woonstaat. Volgens A-G Wattel resteren de vragen (i) hoe rekening te houden met het heffingsvrije vermogen en (ii) of neutralisering in de woonstaat aan de orde is. ’s Hofs antwoord ter zake van het heffingsvrije vermogen lijkt in strijd met zijn (Schumacker en D v Inspecteur) rechtspraak, maar de Commissie wijst erop dat het niet gaat om de vraag of een niet-inwoner recht heeft op heffingsvrij vermogen, maar om de (vergelijkings)vraag welke effectieve belastingdruk de ingezeten maatman ter zake van hetzelfde aandelenbezit ondervindt in box 3. Voorts is niet uitgesloten, gezien ’s Hofs (erfbelasting)arresten Mattner en Welte, dat het Hof aan het overstappen is van de alles-of-niets-Schumacker-rechtspraak naar een correcter pro rata nationale behandeling van niet-inwoners met betrekking tot belastingvrije sommen. Wat daar van zij, het Hof ziet in het heffingsvrije vermogen geen vergelding van persoonlijke en gezinsomstandigheden, maar een efficiency- en (Benthamse) tariefmaatregel die los staat van persoonlijke omstandigheden en die de heffingsgrondslag voor ingezetenen wijzigt, zodat er rekening mee moet worden gehouden bij de vergelijking met een ingezetene. Dat betekent volgens de A-G dat de voetvrijstelling toegerekend moet worden aan belanghebbendes gehele vermogen voor zover het bij ingezetenschap in box 3 zou vallen, want zo gaat het bij ingezetenen. Hij meent daarom met de Staatssecretaris dat pro rata (1,3 / 2,56 * € 20.014 =) € 10.157 van het heffingsvrije vermogen aan het certificaatbezit moet worden toegerekend. Dat betekent dat de dividendbelasting ad € 16.105,80 vergeleken moet worden met een inkomstenbelastingbedrag ad 1,2% * (€ 1.298.245 minus € 10.157) = € 15.457. Nederland heft dus € 649 te veel en moet dat bedrag restitueren, tenzij België dat exces neutraliseert door het te verrekenen met de Belgische inkomstenbelasting. Dat doet België echter niet, nu hij eenzijdig aftrek van de grondslag verleent in plaats van verrekening met de belasting. Zoals in de eerste conclusie in deze zaak is uiteengezet, is neutralisering daardoor uitgesloten. Nadere conclusie: het cassatieberoep van de Staatssecretaris is ook na ’s Hofs antwoorden ongegrond en belanghebbendes cassatieberoep is gegrond voor zover het klaagt over niet-toerekening van heffingsvrij vermogen; de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.