ECLI:NL:PHR:2015:2513
Parket bij de Hoge Raad · 18-12-2015 · zaaknummer 14/05469
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft op eigen naam en voor eigen rekening negen aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van videotuners. Videotuners zijn apparaten waarmee een analoog of digitaal tv-signaal kan worden ontvangen op een automatische gegevensverwerkende machine (hierna: computer). Met behulp van de juiste software worden de signalen verwerkt zodat op de computer televisiebeelden kunnen worden bekeken. Het gaat in de onderhavige zaak om drie typen videotuners, (1) [type 1], (2) [type 2] (beide hierna: usb [type 1/type 2]) en (3) [type 3] (hierna: expresscard [type 3]). In deze procedure staat de vraag centraal of deze videotuners moeten worden ingedeeld als “elektronische assemblages voor inbouw in een automatische gegevensverwerkende machine” als bedoeld in postonderverdeling 8528 71 11 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN) dan wel of het ‘andere’ videotuners zijn als bedoeld in postonderverdeling 8528 71 19 van de GN. De rechtbank Noord-Holland is van oordeel dat de videotuners niet onder postonderverdeling 8528 71 11 van de GN kunnen worden ingedeeld, omdat de onderhavige goederen niet kunnen worden aangemerkt als elektronische assemblages en bovendien niet worden ingebouwd in een computer. Het gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) is eveneens van oordeel dat de videotuners onder postonderverdeling 8528 71 19 van de GN moeten worden ingedeeld, omdat de goederen niet worden ingebouwd, maar worden aangesloten op een computer. In deze conclusie bespreekt A-G Ettema allereerst de in deze procedure relevante indelingsregels, de afdeling, het hoofdstuk en de post(onderverdelingen) van de GN. De daarbij behorende toelichtingen komen eveneens aan de orde. Vervolgens gaat de A-G in op de vraag of de videotuners onder postonderverdeling 8528 71 11 van de GN kunnen worden ingedeeld. Met betrekking tot het begrip ‘elektronische assemblages’ constateert zij dat het Hof geen oordeel hierover heeft gegeven. Zij neemt aan dat het Hof het niet nodig achtte om te beoordelen of sprake is van elektronische assemblages, reeds omdat naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan het vereiste ‘voor inbouw’. Voorts constateert de A-G dat de Inspecteur zich in deze procedure steeds op het standpunt heeft gesteld dat zich in de goederen elektronische assemblages bevinden, maar dat de eigen behuizing eraan in de weg staat de goederen als ‘elektronische assemblages’ aan te merken. Dit laatste standpunt kan volgens de A-G niet worden gevolgd, omdat dat zou leiden tot een beperking van de strekking van de GN-postonderverdeling. De postonderverdeling 8528 71 van de GS/GN ziet namelijk op ‘toestellen’ en dat suggereert dat sprake kan zijn van een behuizing. De A-G is van mening dat niet voor twijfel vatbaar is dat de elektronische assemblages zich in een behuizing/omhulsel mogen bevinden. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de goederen onder postonderverdeling 8528 71 van de GS/GN moeten worden ingedeeld is, haars inziens, derhalve voldaan aan het vereiste van ‘elektronische assemblages’. Met betrekking tot het criterium dat de elektronische assemblages ‘voor inbouw’ zijn bestemd, gaat de A-G allereerst te rade bij de ‘gebruikelijke betekenis’ van het begrip ‘inbouw’. Uit de betekenissen van dat begrip leidt zij niet af dat de inbouw permanent of duurzaam moet zijn of dat technische kennis is vereist om het ingebouwde voorwerp te verwijderen. Zij meent vervolgens dat de Engelse, Franse en Spaanse taalversies, door de term ‘incorporeren’ (synoniem voor ‘inlijven’) te hanteren, lijken te suggereren dat de postonderverdeling 8528 71 11 van de GN ruimer is dan de Nederlandse en de Duitse versie. Zij komt vervolgens tot de slotsom dat de expresscard [type 3] als bestemd ‘voor inbouw’ in een computer kan worden aangemerkt en derhalve onder postonderverdeling 8528 71 11 van de GN valt, omdat dit goed (nagenoeg) geheel wordt ‘ingelijfd’ door een computer. De usb [type 1/type 2] kan daarentegen niet onder de laatstgenoemde postonderverdeling vallen. Dit goed gaat niet (nagenoeg) geheel op in een computer, maar slechts een klein gedeelte bevindt zich bij gebruik daarin. Ten slotte is de A-G van mening dat Verordening (EG) nr. 2564/95 van de Commissie van 27 oktober 1995 niet in de onderhavige zaak kan worden toegepast. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en het geding te verwijzen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
