ECLI:NL:PHR:2015:2475
Parket bij de Hoge Raad · 15-12-2015 · zaaknummer 15/02440
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 april 2015, nrs. 14/00347 en 00348, ECLI:NL:GHSHE:2015:1515. Belanghebbende was gedurende de jaren 2008 en 2009 gehuwd met haar echtgenoot, haar fiscale partner. Zij heeft in haar aangiften IB/PVV over de jaren 2008 en 2009 de vraag of haar echtgenoot een inkomen uit werk en woning had dat hoger was dan respectievelijk € 15.270 en € 14.550, ontkennend beantwoord. Belanghebbende heeft in deze aangiften niet verzocht om uitbetaling van heffingskortingen. Van de echtgenoot waren over de jaren 2008 en 2009 geen aangiften IB/PVV ontvangen. Om die reden heeft de Inspecteur aan hem over die jaren ambtshalve aanslagen IB/PVV opgelegd. Kennelijk zijn de aan de echtgenoot opgelegde ambtshalve aanslagen IB/PVV vastgesteld op basis van belastbare inkomens van € 17.801 (2008) en € 30.968 (2009), althans zeker hoger dan de voornoemde bedragen van € 15.270 (2008) en € 14.550 (2009). De echtgenoot zou op basis van de ambtshalve aanslagen meer dan € 2.074 (2008) en € 2.007 (2009) aan IB/PVV verschuldigd zijn. De echtgenoot is tegen beide aanslagen in bezwaar gekomen. Aan belanghebbende zijn aanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2008 en 2009. Belanghebbende is ingevolge die aanslagen geen IB/PVV verschuldigd, waardoor de haar wettelijk in principe toekomende algemene heffingskorting niet kon worden verrekend met de door haar verschuldigde IB/PVV. Belanghebbende heeft evenwel recht op teruggave van de algemene heffingskorting indien en voor zover haar echtgenoot wel daartoe voldoende IB/PVV verschuldigd is. In de aanslagen IB/PVV over de jaren 2008 en 2009 werden aan belanghebbende teruggaven van de algemene heffingskorting verleend van respectievelijk € 2.074 en € 2.007. De Inspecteur is, bij zijn beoordeling van belanghebbendes recht op die teruggaven, uitgegaan van de aan de echtgenoot opgelegde ambtshalve aanslagen IB/PVV over deze jaren. Op basis daarvan had belanghebbende recht op deze teruggaven. De Inspecteur was ten tijde van het opleggen van de aanslagen aan belanghebbende bekend met het feit dat de echtgenoot bezwaar had gemaakt tegen de ambtshalve aanslagen IB/PVV. Bij uitspraken op bezwaar zijn de aan de echtgenoot ambtshalve opgelegde aanslagen IB/PVV over de jaren 2008 en 2009 verminderd tot nihil. Op basis hiervan heeft belanghebbende in de jaren 2008 en 2009 geen recht op teruggaven van de algemene heffingskorting. De Inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2008 en 2009. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is daarbij op nihil gesteld en de eerder bij aanslag verleende heffingskortingen zijn nagevorderd. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur, ten tijde van het aan belanghebbende opleggen van de aanslagen IB/PVV over de jaren 2008 en 2009, een onderzoeksplicht had naar het inkomen van de echtgenoot. Nu de Inspecteur geen onderzoek heeft verricht, heeft hij, aldus het Hof, het risico aanvaard dat bij de aanslagoplegging ten onrechte uitbetaling van de heffingskortingen werd verleend. Daarmee heeft de Inspecteur een ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering in de weg staat. De Staatssecretaris heeft tegen het ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van één middel. Daarin wordt gesteld dat het Hof in het onderhavige geval te vergaande eisen stelt aan de onderzoeksplicht van de Inspecteur. Het Hof zou met de verlangde onderzoeksplicht naar het inkomen van de echtgenoot een onjuiste en onredelijke eis hebben gesteld aan de uitbetaling van de heffingskorting aan belanghebbende. De Staatssecretaris ziet als het nieuwe feit dat navordering rechtvaardigt: de vermindering van de aanslagen van de echtgenoot tot nihil bij uitspraak op bezwaar. De Inspecteur zou aldus geen ambtelijk verzuim hebben begaan. De A-G merkt op dat de Inspecteur slechts in zoverre acht heeft geslagen op de aan de echtgenoot ambtshalve opgelegde aanslagen IB/PVV dat ten aanzien van belanghebbende rekening is gehouden met de (geschatte) inkomens in de aanslagen van de echtgenoot. De Inspecteur had volgens de A-G voorafgaand aan de aanslagoplegging aan belanghebbende, nader moeten bezien in hoeverre de naar hogere inkomens aan de echtgenoot opgelegde ambtshalve aanslagen stand konden houden, gezien de in de aangifte van belanghebbende geïndiceerde lagere inkomens van de echtgenoot. De A-G meent dus dat de aan de ambtshalve aanslagen ten grondslag gelegde schattingen in casu niet zonder meer mochten worden gebruikt bij het beoordelen of belanghebbende recht had op teruggave van de algemene heffingskorting. Dat klemt volgens de A-G temeer nu de Inspecteur op het moment dat aan belanghebbende de aanslagen IB/PVV werden opgelegd, wist dat de echtgenoot bezwaar had gemaakt tegen de aan hem opgelegde ambtshalve aanslagen IB/PVV. De zijdens de Inspecteur gemaakte schattingen werden dus betwist. Nu de Inspecteur niet zo een nader onderzoek heeft verricht, meent de A-G dat hier sprake is van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat, zodat het middel faalt. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van Staatssecretaris van Financiën ongegrond dient te worden verklaard.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
