Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2015:157

Parket bij de Hoge Raad · 17-02-2015 · zaaknummer 14/02615

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 06-03-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een belast presterende ondernemer, heeft – daartoe door de wetgeving gedwongen – de pensioenen van haar personeel ondergebracht in een afzonderlijke stichting (Stichting Pensioenfonds). Voor het beheer van deze pensioenen heeft belanghebbende kosten gemaakt. De daarop drukkende omzetbelasting (die ook aan haar gefactureerd is) heeft belanghebbende in aftrek gebracht. De vraag is of dat wel kan. Na prejudiciële vragen dienaangaande te hebben voorgelegd aan het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) komt Hof Leeuwarden (hierna: het Hof) tot de slotsom dat dit inderdaad kan, omdat de desbetreffende kosten naar zijn oordeel ‘algemene kosten’ van belanghebbendes bedrijf zijn. In reactie op het arrest van het HvJ (hierna arrest PPG) heeft de Inspecteur (nieuwe) stellingen ingebracht welke door het Hof als tardief buiten behandeling zijn gebleven. In deze conclusie is de vraag aan de orde of het oordeel van het Hof dat de desbetreffende kosten algemene kosten zijn, juist is en, zo ja, of de door de Inspecteur als reactie op het arrest van het HvJ ingebrachte (nieuwe) stellingen door het Hof terecht als tardief buiten behandeling zijn gebleven. A-G Van Hilten gaat eerst in op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de voorbelasting die haar in rekening is gebracht met betrekking tot de ten behoeve van de Stichting Pensioenfonds aan haar verrichte diensten. Uit het arrest PPG begrijpt zij dat het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband, hetzij tussen de aankoop waarop btw drukt en (een) bepaalde uitgaande prestatie(s), hetzij tussen de aankoop waarop de btw drukt en de totale onderneming doorslaggevend is voor aftrek. In het arrest PPG overweegt het HvJ dat de verwijzende rechter moet beoordelen of de afgenomen diensten deel uitmaken van de algemene kosten van belanghebbende. Zij leidt uit het arrest PPG af dat indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, belanghebbende zonder meer recht op aftrek heeft. Wat betreft de vraag of de aan belanghebbende verrichte diensten algemene kosten zijn, merkt A-G Van Hilten op dat het Hof al in zijn verwijzingsuitspraak had geoordeeld dat dit het geval is. In de verwijzingsuitspraak heeft het Hof in aanmerking genomen dat de gemaakte kosten kunnen worden toegerekend aan belanghebbendes algemene bedrijfskosten. Naar A-G Van Hilten meent, heeft het Hof hiermee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is haars inziens ook niet onvoldoende gemotiveerd, noch onbegrijpelijk. Vervolgens gaat A-G Van Hilten in op het oordeel van het Hof dat het de Inspecteur in deze stand van het geding niet meer is toegestaan nieuwe stellingen op te werpen. Gezien de ruime geschilomschrijving hebben belanghebbende en de Inspecteur de rechtsstrijd niet beperkt tot een bepaald aspect of een bepaalde reden waarom de door belanghebbende in aftrek gebrachte omzetbelasting al dan niet terecht zou zijn nageheven. A-G Van Hilten meent dat dit echter neemt niet wegneemt dat het geschil wel enige beperking in zich heeft: Zij leest in de geschilomschrijving dat het partijen ging om de juistheid van de door belanghebbende toegepaste aftrek van voorbelasting. Het komt haar daarom voor dat de Inspecteur met zijn meer subsidiaire stelling na-het-arrest-PPG (belanghebbende is omzetbelasting verschuldigd over de kosten van de dienstverlening omdat daartegenover een vergoeding in natura van Stichting Pensioenfonds staat, zodat om die reden de naheffingsaanslagen in stand moeten blijven) buiten die geschilomschrijving valt. De A-G komt dan ook tot de slotsom dat vorenbedoelde meer subsidiaire stelling van de Inspecteur de rechtsstrijd zou uitbreiden. Dat lijkt haar in de stand van de procedure waarin dat geschiedde (in reactie op het arrest PPG) in strijd met een goede procesorde. Dit brengt mee dat deze meer subsidiaire stelling om die reden buiten aanmerking dient te blijven. De andere subsidiaire stelling die de Inspecteur heeft ingebracht houdt in dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek in verband met de toepasbaarheid van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (het bua). Deze stelling valt naar het inzicht van A-G Van Hilten niet buiten het bestek van de rechtsstrijd. Of de stelling (alsnog) behandeld moe(s)t worden hangt af van het antwoord op de vraag of de Inspecteur in de stand van de procedure waarin hij deze stelling inbracht, deze nog kon inbrengen zonder schending van een goede procesorde. Uit de jurisprudentie leidt A-G Van Hilten af dat de Hoge Raad van oordeel is dat het stellen van prejudiciële vragen op zichzelf geen uitsluiting of beperking in zich draagt van de mogelijkheid om nog nieuwe standpunten of grieven aan te voeren. Zij meent dat dit oordeel juist is. Het oordeel van het Hof dat de goede procesorde geschaad zou worden indien de (nieuwe) stellingen van de Inspecteur alsnog in de procedure aan de orde zouden kunnen komen, getuigt naar de mening van de A-G dan ook van een onjuiste rechtsopvatting dan wel – indien het Hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan – is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Derhalve gaat A-G Van Hilten in op de – door belanghebbende in haar incidentele beroep in cassatie bestreden – tweede subsidiaire stelling van de Inspecteur dat de voorbelasting op de aan belanghebbende verrichte diensten op grond van artikel 16, lid 1, van de Wet juncto artikel 1 van het bua van aftrek moeten worden uitgesloten. Het komt haar voor dat het op zich nemen van de kosten van de in geding zijnde diensten niet kan worden aangemerkt als het verstrekken van een relatiegeschenk of (andere) gift; zij verwijst hiertoe naar de wetsgeschiedenis van het bua en naar jurisprudentie van de Hoge Raad. Mede gelet op de wettelijke verplichting van belanghebbende om een pensioenregeling voor haar personeel te treffen, meent A-G Van Hilten dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende met het voor haar rekening nemen van de in geding zijnde kosten een personeelsvoorziening heeft getroffen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard en dat het incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.