Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2015:123

Parket bij de Hoge Raad · 17-02-2015 · zaaknummer 14/02809

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 24-02-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Belanghebbende is importeur van kleding. Deze kleding wordt buiten de Europese Unie (hierna: EU) geproduceerd door fabrikanten die daartoe rollen stof ter beschikking krijgen. Wat betreft de ter beschikking te stellen stoffen hanteren stoffenleveranciers een minimum hoeveelheid af te nemen stof. Daardoor gebeurt het dat meer stof wordt (moet worden) ingekocht dan noodzakelijk voor de te produceren kleding. Als gevolg hiervan wordt bij de productie van de kleding niet altijd alle stof gebruikt. De stof die overblijft (hierna: leftovers) is aan belanghebbende afzonderlijk in rekening gebracht. Bij een controle na invoer is gebleken dat in de aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van de kleding geen rekening is gehouden met de kosten van de leftovers. De inspecteur heeft, zich op het standpunt stellende dat de kosten van de leftovers onderdeel uitmaken van de douanewaarde van de ingevoerde kleding, aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt. Vraag is nu of de leftovers op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en lid 3, onder a, van het CDW dan wel op grond van artikel 32, lid 1, onder b, sub i of sub iii, van het CDW deel uitmaken van de douanewaarde. Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) heeft geoordeeld dat de kosten van de aan de fabrikant ter beschikking gestelde stof die wordt gebruikt bij de vervaardiging van de kleding op grond van artikel 32, lid 1, onder b, van het CDW in hun geheel bij de transactiewaarde moeten worden opgeteld. Hof Amsterdam (hierna: het Hof) daarentegen oordeelt dat geen sprake is van gratis ter beschikking gestelde stof als bedoeld in artikel 32, lid 1, onder b, CDW. Voorts oordeelt het Hof dat de betaling voor de leftovers ook niet op grond van artikel 29, lid 3, onder a, van het CDW deel uitmaakt van de douanewaarde van de kleding. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) is in cassatie opgekomen tegen dit oordeel. A-G Van Hilten begint haar overwegingen met een aantal aannames ten aanzien van de feiten. De A-G gaat ervan uit dat de leftovers bruikbare rollen stof zijn. Vervolgens stelt zij vast dat de omstandigheid dat de overeenkomst tussen belanghebbende en de kledingfabrikant feitelijk (wellicht) een be- of verwerkingsovereenkomst is niet in de weg staat aan toepassing van de artikelen 29 en 32 van het CDW. De A-G toetst vervolgens in de eerste plaats of de leftovers op grond van artikel 29 CDW deel uitmaken van de transactiewaarde van de ingevoerde kleding. Op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) komt de A-G tot de conclusie dat alleen sprake is van betalingen die op grond van artikel 29, lid 3, onder a, van het CDW onderdeel uitmaken van de transactiewaarde wanneer het betalingen betreft voor bijkomende dienstverlening waartoe de verkoper zich heeft verplicht. Naar de mening van de A-G is hiervan in casu geen sprake. Het ontstaan van de leftovers vindt volgens de A-G zijn oorsprong in de minimale afnameverplichting die de stoffenleveranciers stellen en staat niet in direct verband met de levering van de geproduceerde kleding. A-G Van Hilten gaat ervan uit dat de stoffenleveranciers andere (rechts)personen zijn dan de kledingfabrikanten. De A-G komt tot de slotsom dat op grond van artikel 29 van het CDW de kosten van de leftovers niet tot de transactiewaarde van de ingevoerde kleding kunnen worden gerekend. Ook bijtelling op grond van artikel 32, lid 1, onder b, sub i of sub iii, van het CDW acht de A-G niet aan de orde nu de leftovers niet voor de productie van de kleding zijn gebruikt, noch in de kleding zijn verwerkt. Het voorgaande brengt de A-G tot de slotsom dat de betalingen inzake de leftovers geen deel uitmaken van de douanewaarde van de ingevoerde kleding. A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.