Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:PHR:2014:53

Parket bij de Hoge Raad · 29-01-2014 · zaaknummer 13/02731

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 17-02-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Overgang economische eigendom door een samenwerkingsverband tot ontwikkeling? (i) Is enig risico van waardeverandering overgegaan? (ii) Strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM door gebrek aan voorzienbaarheid? (iii) Geen behoorlijk bestuur doordat een materieel identieke medecontractant die met de fiscus is gaan praten 30% korting kreeg tot afkoop van procesrisico? Gelijke gevallen? Oogmerk van begunstiging? Geheimhouding; Fair play? Feiten: De belanghebbende was eigenaar van enige percelen grond. Zij is in 2001 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met A, B en C tot ontwikkeling van woningbouw. B. en de belanghebbende participeerden ieder voor 27,5%, A voor 25% en C voor 20%. De overeenkomst verplichtte de belanghebbende haar percelen voor f 75 per m2 te leveren aan het samenwerkingsverband of een door het verband op te richten vennootschap. De Inspecteur meent dat de overeenkomst bewerkstelligde dat C 20%, A 25% en B 27,5% van de economische eigendom van de percelen verwierven en daarom van die partijen overdrachtsbelasting nageheven. In 2010 heeft de Ontvanger de belanghebbende aansprakelijk gesteld voor C’s onbetaald gebleven naheffing. Met B blijkt de Inspecteur een procesrisico-afkoopovereenkomst te zijn aangegaan, kennelijk inhoudende dat in ruil voor het afzien van procederen, B 30% korting kreeg op de naheffing te haren laste. In geschil is (i) of enig risico van waardeverandering van de percelen was overgegaan op de samenwerkers; (ii) of de heffing in strijd komt met art. 1 EP EVRM, en (iii) of beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden door de belanghebbende de 30% korting te onthouden die B is verleend. De Rechtbank heeft de belanghebbende in het ongelijk gesteld. Het Hof zag geen feitelijk gelijke gevallen omdat B – anders dan de belanghebbende – ter beëindiging van geschil de inspecteur heeft benaderd, terwijl de belanghebbende wilde procederen. Bovendien zag het Hof geen oogmerk van begunstiging. Ook het Hof oordeelde dat de samenwerkingsovereenkomst ten minste enig risico van waardeverandering deed overgaan op de drie andere partijen. Het beroep op art. 1 EP EVRM, met name op ontbreken van lawfulness, achtte het Hof ongegrond omdat de vraag naar de reikwijdte van art. 2(2) Wet BvR effectief aan de belastingrechter kan worden voorgelegd. In cassatie bestrijdt de belanghebbende deze oordelen met rechts- en motiveringsklachten. A-G Wattel meent dat nu de overeenkomst bepaalt dat ‘de waarde-ontwikkeling’ van ‘de hoofdgerechtigdheid van een perceel grond’ over gaat naar de ‘gerechtigden’, het Hof zonder schending van het recht of zijn motiveringsplicht kon oordelen dat ten minste enig risico van waardeverandering overging. Middel II faalt daarom. Hij acht ook ongegrond de stelling (middel I) dat art. 1 EP EVRM zou zijn geschonden door onaanvaardbare vaagheid van art. 2(2) Wet BvR. Art. 2(2) Wet BvR verdient weliswaar geen schoonheidsprijs, maar diens gevolgen zijn niet zodanig onvoorzienbaar dat niet voldaan zou zijn aan het lawfulness-vereiste in onder meer de EHRM-arresten Sunday Times en Cantoni. Nu het om heffing ter zake van economische eigendomsoverdracht gaat, die per definitie abstraheert van civiel-juridische titels, en de belanghebbende een professioneel handelende onroerend-goedpartij is, kan zij niet met vrucht onvoldoende voorzienbaarheid van de heffing stellen. Het beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur treft volgend de A-G wél doel. Hij acht onvoldoende gemotiveerd zowel ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende en B niet vergelijkbaar zijn, als ’s Hofs oordeel dat geen oogmerk van begunstiging van B voorlag. Materieel bevindt de belanghebbende zich op de feitelijk en rechtens relevante punten in dezelfde positie als Ballast Nedam. De naheffingen volgen voor zowel B als C (en daarmee voor de voor C aansprakelijke belanghebbende) uit dezelfde wettelijke bepaling en uit identieke feiten (hetzelfde contract waarbij zij beiden partij zijn). De aansprakelijk gestelde heeft volgens de A-G dezelfde verweermiddelen tegen de aanslag als de belastingplichtige gehad zou hebben. Ook des fiscus’ bewijslast en diens procesrisico zijn dus in belanghebbendes geval identiek aan die in B’s geval. Dat C of de belanghebbende, anders dan B, niet zelf de fiscus een procesrisico-afkoop heeft voorgesteld, is zijns inziens geen relevant verschil. Uit de door het Hof vastgestelde feiten blijkt niet dat C c.q. de belanghebbende wilde procederen in plaats van schikken. Bovendien kan een eventuele, maar niet gebleken wil van C om niet te schikken niet aan de belanghebbende toegerekend worden, die een eigen wettelijk recht op bestrijding van de aanslag heeft en een eigen wettelijk recht op voorlichting daartoe door de fiscus. Het had volgens de A-G op grond van het fair play en het zorgvuldigheidsbeginsel op de weg van de fiscus gelegen om, in plaats van de belanghebbende relevante informatie te onthouden, haar minstens te doen blijken van een vergelijkbare compromisbereidheid als jegens haar identieke medecontractant, zulks mede gezien zijn rechtsplicht om de aansprakelijk gestelde te voorzien van alle relevante informatie tot bestrijding van de aanslag waarvoor zij aansprakelijk gesteld is, en gezien het in casu ontbreken van de noodzaak tot geheimhouding. De vastgestelde feiten en het door de Ontvanger tijdens de Rechtbankzitting gestelde geven volgens de A-G voorts zodanig aanwijzingen voor een oogmerk van begunstiging van B dat op de Ontvanger de last gelegd had moeten worden aannemelijk te maken dat geen dergelijk oogmerk bestond. De A-G acht daarom ’s Hofs afwijzing van belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd en meent dat het Hof belanghebbendes beroep op beginselen van behoorlijk bestuur mede had moeten opvatten als inhoudende een beroep op het fair play beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Conclusie: cassatieberoep gegrond; verwijzen naar ander Hof.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.